Excursie naar de Harlebucht, Ostfriesland; 18 mei 2017

Inleiding

Een potscherf. Tastbare overblijfselen van verdronken dorpen op de Wadden…

Het wad valt bij laag water droog en wordt bij hoog water met het zoute zeewater overspoeld. Daarbij worden meestal zand en slib afgezet. Maar hier is het heel anders. Hier wordt meer materiaal afgevoerd dan er wordt aangevoerd. Het gevolg hiervan is dat er kustafslag plaatsvindt en dat er steeds nieuwe lagen afzettingen vrij komen te liggen en zichtbaar worden. Men vindt in het wad zelfs turflagen die meer dan 2000 jaar geleden zijn ontstaan. Er waren in die tijd duidelijk omstandigheden die veenvorming mogelijk maakten. In dit gebied was toen in elk geval geen zeewater. Tegenwoordig staat hier bij vloed het zoute zeewater drie meter hoog. De oudste sporen van bewoning gaan terug tot ongeveer 350 voor Chr. Vanaf de herfst tot het voorjaar moesten de bewoners rekening houden met plotselinge overstromingen door stormvloeden. Er waren geen natuurlijke hogere gebieden waar men zichzelf in veiligheid kon brengen. Het land was een ondoordringbaar moeras met een hoog opgaande vegetatie waaronder riet. De enige (water)wegen waren de prielen die een chaotische structuur vormden en ergens in het moeras eindigden. De grond was echter heel vruchtbaar en geschikt voor het houden van vee. Akkerbouw was door het zoutgehalte van de grond niet mogelijk. Regenwater als drinkwater moest verzameld worden. Het wad bood wel de mogelijkheid van visvangst en het verzamelen van schelpdieren als voeding. Sporen van bewoning van ‘verdronken’ dorpen o.a. het dorp Otzum kwamen uit het slib te voorschijn. Niet alle vondsten werden/konden worden geborgen. De fundamentstenen van de kerk van Otzum liggen nog steeds in het wad, maar het skelet van een vrouw uit een grafveld bij Ostbense ligt in het Museum ‘Leben am Meer’.

Axel Heinze is geboren in 1948 en komt uit het Rheinland nabij Düsseldorf. In Keulen heeft hij Wiskunde en Geografie gestudeerd. Hij is met een Friezin uit Heerenveen getrouwd en spreekt goed Nederlands. In 1978 werd Axel Heinze leraar aan het gymnasium van Esens, waar hij 35 jaar les heeft gegeven. Drie jaar geleden is hij met pensioen gegaan. Axel Heinze: ‘bij toeval deden wij in 1980 archeologische vondsten in het wad voor de dijk. Daarna hebben wij systematisch verder gezocht. Aan de hand van vondsten kon de geschiedenis van ‘der Marsch’ worden gereconstrueerd. Dit leidde in 1989 tot de oprichting van het Museum ‘Leben am Meer’. Samen met andere betrokkenen is het museum met vrijwilligerswerk opgebouwd en ingericht en bijna 20 jaar door mij geleid. Tegenwoordig ben ik wetenschappelijk adviseur’. (Axel Heinze hoort al 30 jaar bij de Verein der Norddeutschen Geologen, is lid van de Fachgruppe Kulturlandschaft van de Niedersächsische Heimatbund in Hannover en van de Stichting Verdronken Geschiedenis in Groningen).

Hij is onze gids van vandaag. Hij blijkt een wandelende encyclopedie te zijn van de geschiedenis van dit gebied. Allereerst wordt een presentatie gehouden in het museum ‘Leben am Meer’ in Esens. Hier zijn ook talloze vonsten te zien te verwijzen naar verdronken dorpen op het wad. Vervolgens gaan me met z’n allen in de bus waarbij Axel de rol van gids op zich neemt en duiding geeft aan het landschap zoals dat aan ons voorbij trekt. Eerder al – op de heenreis naar Ostfriesland – hebben we een hand-out gekregen met een uitwerking van het verhaal van deze dag. De tekst volgt hieronder. We hebben een bijzonder informatieve en goed verzorgde dag gehad!

DE HARLEBUCHT – door Axel Heinze
Geschiedenis van een riviermonding in het kweldergebied
aan de hand van een hoogtekaart met hoge resolutie

De Harle is een riviermonding in het kweldergebied, noordelijk van Wittmund. In de middeleeuwen was hier om deze monding in de Wadden een baai ontstaan, genaamd ‘Harlebucht’ (Bucht = baai). Door inpolderingen is deze baai in de loop der tijd volledig getransformeerd tot waardevolle akkergrond. De meer recente geschiedenis van deze inpolderingen is bekend uit historische documenten. In zijn boek Ostfriesland behandelt Karl-Ernst Behre uitvoerig deze episode. Over de oudere geschiedenis ontbreekt helaas dergelijke documentatie, omdat in Ostfriesland geen middeleeuwse stukken over dergelijke ‘processen’ bewaard gebleven zijn. Aan de hand van een hoogtekaart met hoge resolutie is de geschiedenis van deze ‘Bucht’ echter te reconstrueren.

‘Harle’ is vermoedelijk een zeer oude aanduiding voor een water, maar het is niet eenduidig aan te geven aan welk water deze naam oorspronkelijk behoorde. In deze Bucht (baai) monden vanuit zuidwestelijke richting achtereenvolgens het Margenser Tief en vervolgens de Falster, de Burhacer Leide, de Abenser Leide en de Biersumer Leide en tenslotte vanuit het zuiden de tegenwoordige Harle uit. Vanuit het zuidoosten waren dat de Eggedinger Leide en het Tettenser Tief. Omdat de riviermonding (delta) vóór de periode van dijkbouw en inpolderingen aan de invloed van getijden onderhevig was, ontstond hier een trechtervormige monding, die zich door stormvloeden steeds verder uitbreidde (verwijdde). Bij een dergelijk natuurlijk kwelderlandschap horen parallel aan de kust gelegen oeverwallen, die ontstaan bij overstromingen. Dergelijke wallen zijn op de hoogtekaart nog te herkennen en zijn kenmerkend voor de oorspronkelijke uitbreiding van de ‘Bucht’, in de tijd van voor de dijkbouw (‘oude oeverwallen’).

In het zuidelijke gedeelte van de ‘Bucht’ is een Hallig ontstaan met daarop het wierdedorp Funnix. In zuidelijke richting ervan ligt de laaggelegen oude kwelder: de zuidelijke punt van de Harlebucht, waarin verscheidene waterlopen uitmonden. Men vermoedt dat de tegenwoordige Harle oorspronkelijk, gezien het hellingsvlak van de Oostfriese ‘Geestrug’ (zandrug), ontwaterde in noordoostelijke richting. Daarmee overschreed deze een ‘politieke’ grens; het water van de buren wilde men toentertijd beslist niet hebben. Daarom werd de rivierloop omgelegd naar het noorden om het water in het Harlingerland te kunnen lozen. De oorspronkelijke loop van de rivier is niet meer volledig te reconstrueren, maar noordwestelijk van Nenndorf gaat de loop van de Harle duidelijk door een oeverwal; een teken dat de loop daar kunstmatig werd aangelegd. In het zuidelijke deel van de ‘Bucht’, onder Funnix, tekenen zich verscheidene vermoedelijke dijktracés af, waarmee dit gedeelte van de baai door de aanleg van ‘afsnijdingen’ teruggewonnen werd. Men heeft de Hallig door een dijk met de nabijgelegen wal verbonden. Dit zullen alleen kleine middeleeuwse dijken geweest zijn, waar het water bij hoge stormvloeden gewoon overheen liep. Bij deze dijken moeten al zijlen (waterlossingen) zijn geweest. Ook het afwateringssysteem van dit gebied is grootschalig getransformeerd en georiënteerd op de zijlen.

Tenslotte werd met de Berdumer Groβereige het eerste dijktracé noordelijk van Funnix aangelegd, dat met een aansluitende dijk over Endzetel met de westelijke oever van de baai verbonden werd. Er moeten in dit dijktracé zijlen geweest zijn bij Funnixer Fähre, Kleineriege en westelijk van Middoge, omdat daar zichtbare waterlopen het dijkverloop doorkruisen. Deze situatie bleef klaarblijkelijk gedurende langere tijd bestaan, want er ontstonden jongere oeverwallen voor (buiten) deze dijken. De Bucht had echter nog steeds uitgestrekte afmetingen. Vermoedelijk is dat het beeld, zoals we het van oudere landkaarten kennen.

De Harle en de Falster waren samengekomen en ontwaterden door de zijlen bij Werdum. De ingrepen in het afwateringssysteem werden hier duidelijk zichtbaar. Pas met de aanleg van de kunstwerken van Altfinnixsiel ontstonden er weer gescheiden afwateringssystemen. Elk van deze waterlopen moest zorgen voor de waterlozing van een zeer groot gebied (boezem). Voor een bouwwerk als een zijl was dit nauwelijks te doen omdat men toen van hout slechts relatief kleine zijlen zijlen kon maken.

We hebben een goede lunch gegeten onderweg in De Kutscherkroog in Altfunnixsiel. Inmiddels is het restaurant gesloten (en dat blijft het ook)…

In het noordwestelijk gedeelte van de Bucht was er vermoedelijk een voormalig dijktracé bij Gröningerhäuser  en Kummerhusen. Dat kon echter niet behouden worden en werden in de 15de eeuw teruggelegd op de Werdumer Altenteich. Daarna waren er buitendijks nog grotere ‘Grodenreste’ (overblijfselen van ‘Groden’ = vergelijk ‘Grie’, Terschelling → buitendijkse graslanden) die daarna echter niet meer door een dijk omgeven konden worden. Pas ongeveer een eeuw later konden de Werdumer Altengroden weer teruggewonnen worden. Hierdoor ontstond (Alt)Harlingersiel, die toen alle vanuit het zuidwesten stromende waterlopen moest ontwateren. Daartoe werden op deze locatie twee sluiswerken aangelegd. Aan de oostzijde van de baai lag slechts een klein aantal zijlen, die nog enige tijd in gebruik waren. Dat waren Altgarmssiel, Sophiensiel en Frederikensiel. Ze werden uiteindelijk alle in de richting van de Auβenjade (Buiten-Jade) omgelegd. In het centrale gedeelte van de Bucht werd voor de Harle een compleet nieuwe waterloop (afwatering) gemaakt, die vervolgens een zijl zuidelijk van Funnix of bij Funnixer Fähre moet hebben gehad. Het verloop ervan was: Altfunnixer Siel en Neufunnixsiel, vervolgens Carolinensiel, dan Friedrichsschleuse en tenslotte Harlesiel.

Vanaf toen werd de Bucht polder voor polder ingedijkt, waardoor Harlingersiel steeds meer in de verdringing raakte. Vervolgens werd aan het noordelijkste dijktracé een pomp aangelegd die deze zijl moest ontlasten. Nadat deze pomp door een stormvloed volledig vernield werd, legde men iets verder westelijk een volledig nieuwe ‘Sielhafen’ (sluis) aan: ‘Neuharlingersiel’. In 1806 werd met de Schwerinsgroden het laatste gat in het westelijke deel van de Harlebucht gesloten. Reeds in 1825 vernielde een stormvloed tweederde van deze dijk dermate grondig dat alleen nog het oostelijke gedeelte door een ‘kruisdijk’ gered kon worden. Tenslotte werd dit gedeelte in 1989 door een dijk als ‘Jheringsgroden’ weer ingedijkt. Oostelijk van de Harle ontstonden in 1895/1896 de Elisabethgroden. In 1956 werd met Harlesiel het laatste sluiswerk in de Harlebucht aangelegd.

Panorama van Neuharlingersiel (foto: Wkipedia)

De ‘Alte Marsch’ (de oude kwelders) in de  omgeving wordt duidelijk gekenmerkt door de Warften (wierden), die al bestonden voordat er dijken werden aangelegd. Het was een natuurlijk kwelderlandschap, dat al voor de dijkaanleg als landbouwgrond gebruikt kon worden, maar alleen als ‘groenland’ (weidegebied). Vanwege het zoutgehalte van het zeewater was akkerbouw op de grond – die zo nu en dan (bij hoge vloeden) – onderliep, niet mogelijk. In ieder geval waren er op het centrale gedeelte van de dorpswierden open ruimten die benut konden worden als akkers om er broodgranen te verbouwen. De oude hoeves lagen meestal radiaal aan de randen van de wierde. De ombouwde gedeelten konden in ieder geval ook tijdens de stormvloeden in het winterhalfjaar gebruikt worden om het vee veilig onder te brengen, wanneer de stalgebouwen bij hoog water onderliepen.

In de later ingepolderde vlakten, de jonge kwelders, werden de hoeves alleen maar op vlakke ‘huispodia’ (huiswierden) gebouwd. Vroeger  kon men in de winter deze polders niet droog houden, omdat de capaciteit van de zijlen te gering was. De gebouwen mochten daarom niet op de vlakke grond gebouwd worden. Ook boden deze ‘huispodia’ bescherming bij dijkdoorbraken, indien het water niet te hoog kwam. Klaarblijkelijk had men al groot vertrouwen in de dijken. Niettemin verraden kolken, meest ronde waters aan de dijktracés, aan de vroegere dijkdoorbraken. Ze zijn onder meer duidelijk zichtbaar, zuidelijk van Carolinensiel, onmiddellijk aan de Harle.

En aan het einde van de middag; kuchen (en ook kaffee natuurlijk, maar die ging als eerste op)…

De Harlebucht was oorspronkelijk dus een natuurlijke baai in het kweldergebied, zoals er vanouds talrijke in onze kustgebieden waren. Deze vertoont op een gedetailleerde hoogtekaart alle kenmerken die bij een dergelijke baai horen. Door menselijke activiteiten werd deze baai langzaam verkleind. Waterlopen werden vereenvoudigd om de waterafvoer te bevorderen. De eerste dijken verbonden natuurlijke hoogten met elkaar en maakten het ingedijkte land tot nut, vooral voor de akkerbouw. De hoge kwaliteit van de hier ontstane akkergronden leidde tenslotte tot de volledige inpoldering van de baai, die tegenwoordig volledig afgesloten is. De baai is alleen nog herkenbaar aan het gebruik als akkergrond; die zelfs vanuit het heelal herkenbaar is…

Deze diashow vereist JavaScript.

Delen:

Comments

comments

Harry Vogel

Ik ben voornamelijk geïnteresseerd in traditionele folk- en countrymuziek, Groninger (cultuur)geschiedenis, en allerlei buitengebeuren. Vroeger trok ik er vaak op uit om meerdaagse fietstochten te maken, tegenwoordig fiets ik meer in de omgeving van de stad Groningen. In de jaren 80 van de vorige eeuw begon ik foto's te maken van de (huis)concerten die ik bezocht. Recent heb ik al mijn oude negatieven gedigitaliseerd. Deze website kwam tot stand vanuit de wens iets met de recent gedigitaliseerde negatieven te doen...

Geef een reactie