Ik ben de vakantie archivaris…
Afgelegde route: Caernarfon → Bethel → Vaynoll Hall → Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch → Pen-y-Gamedd → Pentraeth → Red Wharf Bay → Benllech → Llanallgo → Brynefail → City Dulas → Penysarn → Amlwch → Cemaes → Llanfaethlu → Landdeusant → Dyffryn → Four Mile Bridge → Rhoscolyn
Gefietste afstand: 82,3 kilometer ♦ gemiddelde snelheid: 17,3 kilometer per uur ♦ fietstijd: 4 uur, 45 minuten, 6 seconden ♦ totaal afgelegde afstand: 368,3 kilometer ♦ maximale snelheid: deze dag niet vastgelegd.

We waren de vorige dag op tijd naar bed gegaan en dus was het ook niet verwonderlijk dat we vandaag op tijd wakker waren. Ik in ieder geval al wel. Dientengevolge was ook de Vogel vroeg uit de nest. Hij stond er versteld van dat ik zo snel weer op weg wilde. Op ons gemakje pakten we de hel zooi in en hingen de volgepakte tassen aan onze fietsen. Dit ging in een aardig vlot tempo en daarna was het weer ‘up and away’.
Het eerste, Caernarfon uit, viel mij allesbehalve tegen. Ik probeerde wat heen en weer te schakelen om het goede verzet te vinden. Geleidelijk aan begon bij mij het besef te dagen dat de voornaamste reden voor mijn magere fietsprestaties lag in het feit dat ik niet de goede versnelling kon vinden. Op een van de vele stopjes die we maakten prutste ik wat aan mijn naafversnelling en ineens had ik de beschikking over mijn twee laagste versnellingen in plaats van over de twee hoogste versnellingen. Dat was een heel verschil zeg. De overgang van het ene verzet naar het andere ging nog niet geweldig maar geleidelijk kreeg ik de afstelling weer goed.
We fietsten de weg weer terug richting Bangor totdat we de rotonde bij Vaynoll Hall bereikten. Hier stond het eiland Anglesey aangegeven. Wij pakten deze afslag en tegen de tijd dat we boven op de heuvel stonden zagen we de brug naar de overkant voor ons liggen. Al rijdende ontdekten we dat deze brug Brittania Bridge heette. En dat deze ontworpen was door Robert Stevenson, de vader van de auteur van ‘Schateiland’ die ook op Shetland heel veel vuurtorens heeft ontworpen. We besloten ter plekke de fietsen aan de kant te zetten en een paar foto’s te maken. Een paar kilometer verderop ligt de Menai Bridge. Deze brug sierde de voorkant van de kaart die ons nu door Wales geleidde en wij vonden dat we daar zelf ook een foto van moesten hebben. Midden in de rivier ligt een klein eilandje, en dat eilandje was nota bene nog bewoond ook. Ook dit fenomeen werd (uiteraard) ook aan de gevoelige plaat toevertrouwd.




We fietsten de brug over en sloegen meteen linksaf. Deze weg leidde ons naar een zeer toeristisch dorpje met de langste plaatsnaam in het Verenigd Koninkrijk: Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch. Waarschijnlijk is het ook de langste plaatsnaam in Europa. Deze is zelfs zo lang dat op de verschillende wegenkaarten wordt afgekort naar Llanfair PG of Llanfairpwll. Meteen al bij het inrijden van het dorpje zie je deze naam in grote letters op de gevels van allerlei huizen, winkels en wat dies meer zij. Afhankelijk van de grootte van het pand varieerde ook de grootte van de letters.

Wij wisten vooraf dat het een erg toeristisch plaatsje zou zijn en dat er behalve de plaatsnaam geen bal te beleven zou zijn. Naast het station zit een klein winkelcentrum en daar parkeerden we in eerste instantie onze fietsen tegenaan. Beiden haalden we het fototoestel tevoorschijn. Eerst gingen we maar het winkelcentrum binnen want daar zat ook het TIC. Hierbinnen was het behoorlijk druk en we keken op ons gemakje even rond. Tenslotte kochten we een paar ansichtkaarten en wandelden we terug naar buiten.

Hier pakten we de fietsen op en liepen naar het stationnetje van dit dorp. Heus, er rijdt zelfs een trein heen. Hier zetten we de fietsen tegen de voorgevel en maakten een paar foto’s van onze fietsen tegen dit station aan geparkeerd. We lieten de fietsen even voor wat ze waren en wandelden terug naar de winkels. Op onze eerste rondgang had ik een shirt gezien dat ik hartstikke mooi vond. Het was wel duur maar toch heb ik het gekocht.
In de souvenir afdeling hebben we ook een heel eind rondgewandeld. Ook hier kwamen we de leistenen tegen. Verder was het allemaal heel erg kitscherig. Tenslotte wendden we onze schreden naar het restaurant. Harry begon aan de kaartenschrijverij, wat je hebt, en ik ploeterde voort in het reisverslag. Dit laatste blijkt iedere trip een enorme opgave te zijn. Er zijn dagen bij dat je de hele dag op de fiets zit. Je ziet dan enorm veel en maakt, met een beetje geluk, ook nog het nodige mee. Maar omdat je de hele dag fietst heb je geen tijd om aantekeningen te maken. Als je dan ook nog de pech hebt dat je laat een camping vindt of een camping zonder schrijftafel ben je dubbel de klos. Je loopt zo een hele dag achter en je moet maar zien of je de volgende dag we tijd zult hebben om de wederwaardigheden van de vorige dag aan het papier toe te vertrouwen. Het liefst komen we dan ook op tijd aan op een camping die naast een pub ligt…
Harry had bij het TIC informatie ingewonnen over de mogelijkheden voor het fietsen van de rest van de dag. Daar had men hem verteld dat de meest noordelijke weg over Anglesey de meest schilderachtige (‘scenic’) weg zou zijn. Dus zouden wij die nemen. Dit ondanks het feit dat wij al snel gezien hadden dat we dan een dertig kilometer, minimaal, extra zouden moeten fietsen.
Niet gehinderd door wat dan ook begonnen we te fietsen. Net voordat we het dorp uitreden zagen we het postkantoor en we zijn daar ook even binnengelopen. Harry om wat rommel weer naar huis te sturen. En natuurlijk om te kijken of ze postzegels van Wales hebben. Een kwartiertje later stapten we na een geslaagde missie weer naar buiten.
We begonnen gewoon te fietsen en al snel doemden de eerste heuvels voor onze wielen op. Het was behoorlijk goed weer en we zweetten als otters. Werkelijk ongelofelijk. Bij mij liep het zweet in straaltjes langs mijn nek omlaag en bij Harry was ook in een mum van tijd heel zijn kop kletsnat. Ik was wel hartstikke blij dat ik weer de beschikking had over mijn lichtste verzet en dat ik nu fietsend boven op de heuvels kon komen.

Harry fietste weliswaar nog steeds regelmatig grote afstanden voor mij uit maar ik hoefde niet naar boven te lopen. Aan onze rechterkant lag de kust. Een paar mijl voorbij het plaatsje Red Wharf Bay verscheen, in de verte, het ‘Puffin Island’ in beeld. Oorspronkelijk hadden we het plan opgevat om daar een kijkje te gaan nemen maar omdat dit waarschijnlijk de rest van de dag in beslag zou hebben genomen zagen we er toch maar vanaf. Dat hadden we er niet voor over. Tenslotte hadden we in 1996 op Shetland al genoeg puffins (papegaaiduikers) gezien om ons hele leven mee toe te kunnen.
We fietsten regelmatig door en met een even grote regelmaat werden wij geconfronteerd met de ene bult na de andere. Nou is het tegen een heuvel op fietsen niet zo erg. En twee heuvels is ook geen probleem. Pas als ze in drommen tegelijk aanvallen begint dit zijn tol te eisen. En aangezien ik het minst in vorm was begon ik ook als eerste te protesteren. Mijn humeur begon er danig onder te lijden en dat liet ik merken ook. We hadden op dat moment vijftien kilometer de ene heuvel na de andere voor onze kiezen gehad. Harry vond dit, terecht, niet al te sympathiek. Niet dat ik het op hem uitwerkte, dat niet, maar mijn stemming had natuurlijk ook invloed op de manier waarop hij zich voelde. En hij had eigenlijk alleen maar oog voor de prachtige vergezichten die we voorgeschoteld kregen. De ene nog mooier dan de andere.
Maar geleidelijk aan begon de inspanning ook bij hem zijn tol te eisen. We lasten regelmatig een stopje in en naarmate de tijd verstreek werden deze steeds frequenter. De belangrijkste reden om te stoppen was om ons lichaam een klein beetje rust te gunnen maar daarnaast moesten we er ook voor zorgen dat al het vocht dat we verdampten ook weer werd aangevuld. En soms moet je ook wat eten. Als je maag leeg is kan je echt geen trap meer fietsen. Dit wisten we uit ervaring en we wilden dat met alle geweld vermijden.
In Penysarn lasten we een iets langere pauze in. We bekeken onze vorderingen tot dan toe en zetten deze af tegen het stuk dat we nog ‘moesten’ fietsen. We hadden ons voorgenomen om tot aan Holyhead te fietsen zodat we de volgende dag de boot naar Ierland zouden kunnen nemen. We zouden niet naar Holyhead zelf gaan maar naar een plaatsje iet ten zuiden ervan. Aan de zuidkust zitten namelijk een paar campings en op één ervan wilden we onze tentjes opbouwen. Maar dat was van later zorg. Eerst maar eens zien dat we er kwamen. We hadden ons er inmiddels op ingesteld dat het een lange, zware fietsdag zou worden.
Harry kocht weer wat kaartjes, drankjes en een paar Snickers en deze hebben we op een bankje voor de winkel op ons gemakje naar binnen gewerkt. Er lag een grote, rode kater voor de winkel. Een jongere uitgave van Joop die zich uitgebreid mocht verheugen in de belangstelling van Harry. Spinnend van genoegen zat hij bij de Vogel op de schoot. Na een kleine twintig minuten hervatten wij het fietsen.
Dit stopje was precies lang genoeg geweest en ik was langzamerhand over mijn dieptepunt heen. Dat wil niet zeggen dat het fietsen er gemakkelijker op werd maar we fietsen gezamenlijk door zo goed en zo kwaad als we konden. Zo naderden we het plaatsje Amlwch. We checkten onze vorderingen nog een keer op de kaart en kwamen tot de conclusie dat we ongeveer halfweg waren. Refererend aan de opmerking die de dame van het TIC gemaakt had merkte ik op dat ik wel ‘doodscenic’ werd van deze route. Een grapje dat Harry niet echt kon waarderen.
Op driekwart van de route kruisten we de A-5. Dit is de weg die dwars, in een rechte lijn. Over Anglesey loopt en die ons zo’n dertig kilometers had bespaard. We wisten wel dat we nu het ergste gehad hadden. We fietsten gewoon door en iets verderop zagen we de eerste camping in beeld verschijnen. We reden het erf op.
Een oud vrouwtje stond ons te woord maar moest ons helaas vertellen dat ze geen douches had op de camping. En na een lange, zware, hete dag was dat toch wel iets waar we heel erg naar uitzagen. Zij kon het zich goed indenken en wees ons heel bereidwillig de weg naar de volgende camping. We reden terug naar de hoofdweg en koersten op het dorp aan dat in de verte opdoemde.
Aan de andere zijde van het dorp zagen we een bordje dat naar een camping verwees. Deze zou 2 mijl verderop zitten. Achteraf blijkt dat dan zo’n kilometer of zeven te zijn. ‘Alles is relatief’, schijt een zekere Einstein ooit al eens gezegd te hebben. We hadden de ietwat grotere B-weg verlaten en kwamen nu helemaal ‘in the sticks’ terecht. Behalve het eerste bord hadden we geen enkele aanwijzing dat er hier ergens een camping zat. Toen we na verloop van tijd nog een bordje zagen voor een of ander ‘outdoor’ kamp wisten we het helemaal niet meer. Het was een zeer smal, bochtig maar wel druk weggetje en we wachtten gewoon tot er weer iemand langs kwam.
Deze wist ons te vertellen dat we zonder twijfel op de goede weg waren. We hoefden alleen nog maar de weg te volgen. Hetgeen we dus deden. Nauwelijks twee bochten verderop zagen we de camping. Het laatste stuk was letterlijk bezaaid met een aantal zeer venijnige verkeersdrempels. En als je dan een hele dag gefietst hebt en daarnaast met een volgepakte fiets op die hobbels afkomt is dat geen pretje. Dat kan ik U garanderen.
In eerste instantie maakte de camping een behoorlijk chique indruk en we waren dan ook bang dat het ons een rib uit het lijf zou kosten. Maar het was niet anders. Bovendien bleek de prijs erg mee te vallen. Voor £4,- de man mochten we de nacht doorbrengen. Het werd aan onszelf overgelaten waar we de tentjes op zouden bouwen. Dat was niet tegen dovemans oren gezegd. We bouwden de tenten helemaal vooraan op. Vlak bij alle faciliteiten. Langzaam verrezen de mobiele onderkomens van de vermoeide reizigers.
We hadden bij aankomst gezien dat er een cafeetje bij deze camping zat. Dat was voor ons een mooie gelegenheid om toch nog fatsoenlijk te eten. Ons grootste probleem was dat dit café ’s avonds al om halfacht dichtging. In plaats van eerst te gaan douchen besloten we voorrang te geven aan het voederen der massa. Hier bestelden we wat te drinken, een hamburger, wat frites en witte bonen. Al schrijvend werkte ik alles naar binnen. Harry hoefde zich slechts te concentreren op zijn eten en was ver voor mij aan klaar. Zo rond 19:30 uur werden wij buiten gebonjourd. We hadden driekwart uur niets gedaan, behalve gegeten dan, in een redelijk warme omgeving en hadden geen van beiden nog zin om iets te doen. We besloten dan ook het douchen tot de volgende ochtend uit te stellen. Wel besloten we nog even de benen te strekken en te kijken waar de douche ruimtes zich bevonden.
Op ons gemakje wandelden we de camping over. Deze lag helemaal tegen de kust aangeplakt en we kregen prachtige vergezichten voorgetoverd. Als we naar het vasteland van Wales keken zagen we de bergen waar we de vorige dag, met het treintje, naar boven waren gekacheld. Het leek nu al weken geleden. Tenslotte vonden we de douches en we wandelden terug naar onze tenten. Hier probeerde ik nog wat te lezen in het boek van Raymond E. Feist dat ik deze vakantie meegenomen had. Al snel viel ik in een zeer diepe slaap…

Facebook reacties