Onlangs kreeg ik via Pieter Groenveld dit door muziek journalist Peter Bruyn geschreven verhaal. Ik zou het vast en zeker wel een interessant verhaal vinden. Daar had Pieter volledig gelijk aan (we kennen elkaar al tientallen jaren). Op mijn vraag of ik het verhaal voor Birdeyes zou mogen gebruiken kwam het antwoord dat hij dat eerst even wilde verifiëren. Dat verifiëren ging héél snel. Amper een kwartiertje later kreeg ik opnieuw mail. Gebruiken voor Birdeyes was prima, maar wél met bronvermelding. Bron: Peter Bruyn – Platenblad #292. Mijn dank gaat uit naar zowel Peter Bruyn als Pieter Groenveld. Veel leesplezier! En… Mocht je de beide CD’s waar dit verhaal  over gaat nog niet hebben… Aanschaffen van beide CD’s kan via SCR@pietergroenveld.com. Ze zijn allebei beslist de moeite waard!

Het is een verhaal om te verfilmen. In de zomer van 1957 hebben de als The Rambling Boys door Europa toerende ‘folkies’ Jack Elliott en Derroll Adams besloten even een tijdje ieder zijnsweegs te gaan. Derroll richting Spanje en Jack komt via via in het idyllische havenplaatsje Portofino aan de Italiaanse Rivièra terecht. Daar vindt hij een kroeg om op te treden, La Potiniere. Het bevalt de eigenaar zo goed, dat hij Elliott vraagt of hij niet de rest van de zomer kan blijven. Elliott vindt het prima, maar wel onder de voorwaarde dat hij dan samen met Adams gecontracteerd wordt. De eigenaar stemt in en Jack en zijn meereizende vrouw June gaan op zoek naar Derroll.

Een dag of wat later is de bevriende banjospeler en zanger opgeduikeld in Nice. The Rambling Boys beginnen aan hun serie concerten die goed ontvangen wordt. Op een avond, na het optreden, wordt het Amerikaanse duo benaderd door twee Italianen die The Rambling Boys aanbieden om opnamen te maken in Milaan. Ze zijn gestuurd door een Zwitserse platenbaas. Mercury Records zou belangstelling hebben. En er is geld! Cash! Iets dat de voortdurend op straathoeken, terrassen en in metrostations sappelende troubadours goed kunnen gebruiken.

Een serieus aanbod? Maffia? In augustus 1957 worden in twee of drie dagen in ieder geval achtentwintig nummers opgenomen. En ja, er wordt direct betaald – boter bij de vis. Maar over de opnamen zelf is verder niets anekdotisch bewaard gebleven. Niet de naam van de studio, noch de exacte datum. Het zou, afgezien van een EP’tje met vier nummers en twee spelfouten dat in 1959 alleen in Italië op de markt komt – ‘Jack Elliot And Derrol Adams Sing The Western’ – nog zo’n zeven jaar duren voordat de achtentwintig nummers eindelijk verschijnen op twee losse LP’s. En die zijn ook razendsnel uitverkocht, waarna de liefhebbers jarenlang aangewezen zijn op diverse dubieuze bootleg-releases.

Dit voorjaar verschenen beide albums ‘Folkland Songs’ en ‘Riding in Folkland’ eindelijk legaal bij het Nederlandse Strictly Country Records. De originele banden bleken onvindbaar, maar een Tsjechische bootleg-cd uit 1996 bood uitkomst. Fraai geremasterd en met toestemming van zowel de erven Adams als van de nog altijd levende Elliott.

De albums zijn om allerlei redenen interessant. Ze bevatten bijvoorbeeld de eerste bekende opname van Adams’ beroemde anti-oorlogssong ‘Portland Town’, dat succesvol gecoverd en uitgebracht werd in de vroege jaren zestig door onder meer Joan Baez en het Kingston Trio, enkele jaren voordat de versie van Derroll Adams eindelijk verscheen. Maar ook omdat de op banjo en gitaar begeleide meerstemmige liedjes van The Rambling Boys de wortels van de huidige bluegrass-hausse laten horen.

Het is de muziek van de man, Elliott, die zich vier jaar later, bij terugkomst in New York over de net in The Big Apple gearriveerde Bob Dylan zou ontfermen. En Adams en Elliott maken halverwege de jaren vijftig deel van dezelfde underground-cultuur als de Amerikaanse beatschrijvers als Jack Kerouac, Allen Ginsberg en William Burroughs. Niet overdrachtelijk, maar feitelijk. In Parijs zochten de beats en folk-bohemiens elkaar op, dronken samen en namen samen drugs. Ver voor de tijd dat iedere Amerikaanse rockband door Europa toerde. Rock-‘n-roll avant la lettre. En er waren andere culturele en subculturele verbindingen, direct of indirect. Met James Dean, met de Engelse prinses Margareth, met Leonard Cohen. Het verhaal van de Milanese opnamen van The Rambling Boys is het verhaal van een Europees kantelmoment van de oude folk en blues van kroeg en kampvuur naar de popcultuur zoals we die nog altijd kennen.

Banjo

De een werd geboren aan de Amerikaanse westkust en de ander aan de oostkust. Beiden hadden al een wonderlijke levensloop achter de rug toen ze de oversteek naar Europa waagden. Derroll Adams is de oudste, geboren 27 november 1925 in Portland, Oregon, als Derroll Lewis Thompson. Zijn biologische vader heeft hij amper gekend, die dronk en overleed al snel. Het tweede huwelijk van zijn moeder bleek een kortstondige en pijnlijke vergissing en uiteindelijk vindt ze toch haar geluk bij George Irwin Adams die zich als een vader over Derroll ontfermt. Later zou Derroll zijn achternaam aannemen.

Door het werk van George als ingenieur die telkens ergens anders wordt ingezet, leidt het gezin een bijna nomadisch bestaan. Derroll heeft later meermaals gezegd dat hij als kind op de achterbank van de auto woonde. Als in december 1941 de Japanners Pearl Harbor aanvallen, meldt hij zich bij het leger. Hij is net zestien, geeft een andere leeftijd op en wordt aangenomen. Maar het blijkt niet zijn wereld. Hij kan niet omgaan met de legermentaliteit, wordt recalcitrant, krijgt ontslag en gaat studeren aan de kunstacademie in Portland. Hij begint zich ook in zen, yoga en het Marxisme te verdiepen.

Van zijn moeder krijgt hij voor zijn twintigste verjaardag een 5-snarige banjo. Derroll is gefascineerd door het instrument. Hoewel hij al enigszins met gitaar en mandoline overweg kan, weet hij niet hoe hij het instrument moet stemmen, laat staan bespelen. Dat verandert als hij bij een jamsessie Pete Seeger ontmoet, op dat moment reeds een bekende muzikant. Seeger brengt Adams de eerste banjokneepjes bij.

Het is 1950 als Derroll, afgestudeerd aan de kunstacademie en van het ene in het andere baantje rollend, met Elizabeth, een schilderes en zijn vriendin van dat moment, besluit naar Mexico te gaan. De reis eindigt echter via omwegen in Californië. Elizabeth blijkt zwanger en het paar vestigt zich in Los Angeles.

Daar schrijft Derroll Adams in 1953 of 1954 zijn beroemdste liedje, ‘Portland Town’. Een regelrechte anti-oorlogssong waarvoor hij zich heeft laten inspireren door de ontmoeting met een echtpaar dat in de op dat moment zojuist beëindigde Koreaoorlog hun enig kind verloren heeft. Een extreem basale tekst: acht coupletten die steeds bestaan uit tweemaal dezelfde regel plus een antwoordregel. Maar het raakt diep.

Sommige bronnen vermelden 1957 als het ontstaansjaar van het nummer. Maar 1957 is het jaar dat Adams het voor het eerst opneemt – de sessie in Milaan. Die verschijnt zoals eerder gemeld pas in 1966 op LP. Diverse anderen hebben de song dan al op de plaat gezet. Joan Baez bijvoorbeeld in 1963. Zij meldt Adams als auteur, zoals het hoort. Het Kingston Trio daarentegen, zet ‘Portland Town’ in 1963 op hun album ‘Something Special’ met de naam van hun eigen zanger John Stewart als componist vermeld. Muzikanten waren in de jaren vijftig nog niet allemaal zo op de hoogte met auteursrechten. En folk-bohemiens als Derroll Adams al helemaal niet.

Woody Guthrie

Een kleine zes jaar na Derroll Adams, en zo’n vierduizend kilometer oostwaarts, in Brooklyn, New York City, wordt op 1 augustus 1931 Elliott Charles Adnopoz geboren. Hij zal later bekend worden als Jack Elliott en nog later als Ramblin’ Jack Elliott. Vader Abraham Adnopoz, zoon van Joods-Russische immigranten, is een arts van naam en faam en zoon Elliott is voorbestemd om in zijn voetsporen te treden. Maar het zal anders lopen.

Als kind wordt Elliott door zijn ouders meegenomen naar een rodeo-show in Madison Square Garden. Het laat een onweerstaanbare indruk na. Vanaf dat moment is hij in de ban van het ‘Wilde Westen’ en gefascineerd door alles wat met cowboys te maken heeft. Op zijn vijftiende loopt hij van huis weg om zich in Washington DC aan te sluiten bij een reizend rodeocircus. Zijn ouders weten hem echter te traceren en halen hem terug naar huis, waar hij zijn middelbare school afmaakt.

Rond zijn zeventiende is hij veelvuldig met een gitaar te vinden op Washington Square in Manhattan, waar folksingers en beatschrijvers rondhangen en elkaar ontmoetten. Ook mensen als Pete Seeger en Woody Guthrie komen wel eens langs – niet zozeer om zelf te zingen, maar om te kijken wat er zoal gaande is.

Het is ook in die tijd dat Elliott een in 1945 verschenen album met drie 78-tourenplaten in handen krijgt met de titel ‘Documentary # 1: Struggle’. Vijf van de zes liedjes worden gezongen door Woody Guthrie. Ze zullen Elliotts leven veranderen. Zoals veel generatiegenoten heeft hij tot dusverre geluisterd naar het repertoire van ‘cowboy’ Hank Williams. Maar dat zijn toch vooral jankliedjes over wegelopen meisjes. Guthrie daarentegen zingt over de ‘working man’. Op ‘Struggle’ staan onder meer reeds de Guthrie-klassiekers ‘Buffalo Skinners’. ‘Pretty Boy Floyd’ en ‘Ludlow Massacre’.

De jonge Elliott Adnopoz heeft als aankomend folkzanger al de naam Jack Elliott aangenomen. Hij raakt bijna bezeten van het repertoire van Guthrie, leert het spelen en zingen en besluit in 1951 om hem op te zoeken. De dan negentienjarige Elliott en negenendertigjarige Guthrie raken bevriend. Jack Elliott weet de stijl van Woody feilloos te kopiëren, tot ergernis van sommige Guthriefans. Woody zelf zit er niet mee en zegt tegen wie het maar wil horen dat Jack Elliott meer op Guthrie lijkt dan hijzelf. Elliott is zo bezig met de liedjes van Woody dat hij niet eens op het idee komt om zelf wat te schrijven. Wat valt er aan het oeuvre van Guthrie immers nog toe te voegen?

Als hij begin jaren vijftig van zijn vrouw Marjorie scheidt – Woody’s bovenmatige drankconsumptie maakt hem onhandelbaar – wonen Elliott en Guthrie zelfs een tijdlang in één huis. Samen zingen doen ze echter niet, althans niet in het openbaar.

Het is in deze tijd, 1953, dat Jack Elliott een relatie krijgt met Helen Parker, een soort ‘literaire groupie’ die veel met schrijvers van de Beat Generation omgaat. Vóór Elliott heeft ze wat met Allen Ginsberg gescharreld en in 1953 komt Jack Kerouac regelmatig langs. Gedrieën lezen ze elkaar – Kerouac, Parker en Elliott – nachtenlang het nog niet gepubliceerde manuscript van Kerouacs latere bestseller ‘On the Road’ voor.

Een paar maanden later, kort na de jaarwisseling, heeft Elliott dan eindelijk zijn eerste betaalde optreden te pakken in een klein theatertje in Greenwich Village. Niet veel later werkt hij mee aan wat de allerlaatste opname van Woody Guthrie zal blijken – maar die tot op de dag van vandaag nooit verschenen is – en dan, voorjaar 1954, is het eindelijk tijd om naar ‘Het Westen’ te vertrekken.

Mule Skinner Blues

Hij komt terecht in Topanga Canyon, aan de westkant van Los Angeles. De linksgeoriënteerde acteur Will Geer heeft daar een huis met een zelfgebouwd amfitheater in de bergen. Het zijn de hoogtijdagen van het McCarthyisme in de Verenigde Staten en Geers huis en theater zijn een toevluchtsoord voor talloze kunstenaars en muzikanten met socialistische of communistische sympathieën, waaronder Woody Guthrie en Pete Seeger. Ook Derroll Adams, die in de buurt woont, komt er zo nu en dan over de vloer. Hij heeft er zelfs wel met Guthrie samen gespeeld, al zijn de twee geen vrienden. Er is geen persoonlijke ‘click’ en Woody’s lichamelijke conditie gaat al een tijdje achteruit. Derroll op zijn beurt heeft een baan als vrachtwagenchauffeur voor het cosmeticabedrijf Max Factor en leeft daarnaast als een soort kluizenaar.

Jack Elliott besluit die zomer, 1954, een tijdje in Topanga Canyon te blijven. Hij doet er nogal wat interessante nieuwe kennissen op en er zijn regelmatig boeiende sessies. Derroll Adams, die daar al een tijdje niet meer bij aanwezig is geweest, hoort via via van enkele jongere ‘folkies’ die in Topanga Canyon zijn neergestreken, waaronder ene Jack Elliott uit New York. Een vriend weet hem over te halen om er ook maar weer eens zijn gezicht te laten zien.

In de docufilm ‘Derroll Adams – L’Homme au Banjo’ van Patrick Ferryn, uit 2005, beschrijft Elliott smeuïg zijn eerste ontmoeting met Adams: ‘Ik hoorde verhalen over Derroll Adams. De grote Derroll Adams, de mysterieuze Derroll Adams. De oude man uit de bergen die daar in een grot zou wonen. En toen hij binnenkwam herkende ik hem onmiddellijk uit de verhalen. Ik liep op hem toe en zei: ‘Jij moet Derroll Adams zijn’. Hij antwoordde: ‘Yup’. Ik vroeg: ‘Heb je je banjo bij je?’ En hij antwoordde ‘No’.

Adams zelf herinnerde zich zo’n vier decennia later het voorval ook: ‘Ik had nooit van die Elliott gehoord en had geen idee wat hij precies deed. Maar we moesten en zouden van al die anderen die daar waren samen het podium op’.

Er werd van iemand een banjo geleend en kort overlegd. ‘Ken je ‘Mule Skinner Blues’?’ vraagt Derroll en Elliott knikt instemmend. En dus is de oude countryklassieker van Jimmie Rodgers het eerste nummer dat ze samen spelen. Het zal een paar jaar later ook het eerste nummer zijn dat ze tijdens de sessie in Milaan opnemen. Het publiek is laaiend. De wijze waarop het diepe stemgeluid van Adams mengt met het hogere van Elliott is perfect. En iets dergelijks geldt voor de banjo en de gitaar. Een nieuw duo is geboren.

Toch is het niet zo dat de twee vanaf dat moment onafscheidelijk zijn. Ze treden zowel los van elkaar als samen op en voor Elliott is Derroll de eerste muzikant sinds Woody Guthrie bij wie hij zich werkelijk op zijn gemak voelt.

Diezelfde zomer ontmoet Jack June Hammerstein, een New Yorkse met filmambities die naar Los Angeles is gekomen met Hollywood-vuur in de ogen. Ze voelt instinctmatig aan waar ‘het’ gebeurt, heeft al kennis gemaakt met de jonge James Dean en komt nu ook op het pad van Jack Elliott. Cupido’s eerste pijl is al raak. Voorjaar 1955 trouwen ze, met Derroll Adams als getuige.

Topic Records

June wil naar Europa. Ze is ambitieus en in de oude wereld moeten er kansen voor haar liggen. En Jack kan natuurlijk ook in Europa optreden. Daar is hij zelfs veel exclusiever. Vrijwel geen enkele Amerikaanse folkmuzikant steekt in die tijd de Atlantische Oceaan over.

In september 1955 komen Jack en June in Le Havre aan met het lijnschip de Liberté. Vandaar gaat het met de boottrein naar Londen. Van Pete Seeger heeft het paar wat adressen gekregen van muzikanten en mensen uit de muziekwereld die hen behulpzaam zouden kunnen zijn, zoals de dan al befaamde Engelse folkzanger Ewan MacColl. Met zijn cowboyhoed en laarzen valt Elliott onmiddellijk op in de Engelse hoofdstad. De dag van aankomst kan hij al ergens optreden. Tot zijn verbazing vraagt een bezoeker om de traditionele Amerikaanse folksong ‘Rock Island Line’. Hoe kunnen ze dat Engeland kennen? De Amerikaan realiseert zich niet dat de Britse skiffle-ster Lonnie Donegan kort daarvoor een enorme Engelse hit heeft gehad met het nummer.

Pete Seeger heeft Elliott ook het telefoonnummer gegeven van Bert Lloyd, van het communistisch georiënteerde platenlabel Topic Records. De Amerikaan krijgt al snel een aanbod van Topic om een album met Woody Guthrie songs te maken. Topic heeft nota bene niet eens zelf opnameapparatuur, dus wordt de bandrecorder van Ewan MacColl gebruikt. In oktober 1955 neemt Jack Elliott zijn eerste plaat op: zes Guthrie-songs die voorjaar 1956 verschijnen als 8-inch EP op 33-touren met de titel Woody Guthrie’s Blues. In de jaren zestig zal de plaat enkele rereleases krijgen op LP-formaat met extra toegevoegde nummers.

De Amerikaan heeft succes. Later zou hij in interviews verklaren: ‘Ik werd een ster in Engeland terwijl ik in Amerika niet veel meer dan een zwerver was geweest’. Londen blijft vooralsnog de uitvalsbasis voor Jack en June, maar de twee maken regelmatig uitstapjes naar het Europese continent. In 1956 verblijft het paar een tijdje in Frankfurt, daarna een tijdje in Parijs en Zuid-Spanje. Marokko zelfs. Ze verdienen de kost met zingen op straat – ‘busken’ – en zo nu en dan een arrangement in een kroeg, nachtclub of restaurant.

Maar op een gegeven moment is Jack het alleen zingen een beetje zat. Hij stelt June voor om Derroll Adams over te halen. En June stemt toe. Jack schrijft Derroll in Los Angeles. Die is op dat moment met andere dingen bezig dan muziek maken, maar het lijkt hem wel een aardig avontuur.

Jetset

In februari 1957 komt Adams in Londen aan – en hij heeft geen banjo bij zich. Die moet razendsnel ergens gehuurd worden, want diezelfde avond is er al een concert voor het duo geboekt in Alexis Korner’s Roundhouse. Het gaat hen direct voor de wind Derroll en Jack worden veel gevraagd in het skiffle- koffiehuiscircuit. Alleen die dubbele naam is wat onhandig op de posters. Dus noemen ze zich The Rambling Boys. Jack Elliott wordt sinds zijn tijd in Topanga Canyon in 1954 of ’55 al regelmatig Ramblin’ Jack genoemd. Wie precies met de naam gekomen is laat zich niet meer achterhalen, maar de meest gehoorde versie is dat het van folkzangeres Odetta komt, die ook deel uitmaakt van de folk scene aldaar.

Amper een maand later, in maart, worden de Boys als ‘entertainers’ voor een aantal weken geboekt in The Blue Angel, een Londense ‘high society’ club. En van het één komt het ander. De ‘jetset’ vindt het wel geinig, die Amerikaanse ruwe bolsters met hun cowboylaarzen en hoeden. The Rambling Boys worden tegen goede betaling op allerhande feestjes uitgenodigd, tot de verjaardag van prinses Margareth – de zus van koningin Elisabeth – aan toe. ‘Hardcore’ folkies en linkse Guthrie-fans zien het echter met lede ogen aan.

Mei 1957 nodigt Topic Records het duo uit om een album op te nemen – in dit geval een 10 inch plaat waar negen nummers op passen. In een geïmproviseerde studio in het kantoor van het label – met eierdozen tegen de wanden wordt de galm wat onderdrukt – nemen Elliott en Adams ieder twee solostukken op en vijf liedjes samen. Het zijn merendeels traditionals, zoals ‘Buffalo Skinners’ en ‘Danville Girl’, twee liedjes van A.P. Carter, oprichter van de country-dynastie The Carter Family en zowaar een door Derroll Adams geschreven liedje, ‘I Wish I Was a Rock’. Géén Guthrie-songs. ‘The Ramling Boys’ is enerzijds een ‘ruiger’ en ‘losser’ album dan de soloplaat die Elliott anderhalf jaar eerder heeft opgenomen, maar ook minder ‘politiek’. En op het label van de plaat is Jack Elliotts naam verkeerd gespeld, met één ‘t’.

Voor zowel Elliott als voor Adams geldt dat ze voor hun repertoire grotendeels afhankelijk zijn van door anderen geschreven liedjes of traditionals. Hoewel beiden onder collega-muzikanten een legendarische status hadden en hebben, is dat ongetwijfeld één van de redenen dat zij bij het grote publiek altijd relatief onbekend zijn gebleven.

Vrijwel gelijktijdig met de duoplaat neemt Jack Elliott ook weer een soloalbum op. Wederom een 10 inch schijf. Beide platen zullen rond de jaarwisseling 1957/58 verschijnen. En beide albums zullen enkele jaren later een heruitgave krijgen als 12 inch LP met wat extra nummers.

Milaan

Na pakweg vier maanden samen in Engeland te hebben gespeeld te hebben besluiten Jack en June enerzijds en Derroll dat het even tijd is voor iets anders. De banjospeler vertrekt naar Spanje waar hij vrienden heeft en het stierengevecht wel eens van dichtbij wil meemaken. De Elliotts gaan via Parijs naar Zuid-Frankrijk en spelen en zingen op straat voor eten en logies. Een enkele keer kruisen de paden van de Elliotts en de ondertussen ook naar de Franse Rivièra gereisde Adams elkaar weer en treden ze een paar keer samen op.

Jack en June ontmoeten een gefortuneerde Amerikaanse zakenman die een jacht heeft en ook nog eens muziekliefhebber blijkt. Hij nodigt hen uit oom een paar dagen mee te varen en zo komen de Elliotts in het idyllische havenplaatsje Portofino aan de Italiaanse Rivièra terecht. Daar vindt Jack een kroeg om op te treden, La Potiniere.

Enfin, het vervolg is in de aanhef van dit verhaal reeds verteld. Derroll Adams wordt naar Portofino gehaald. De ontmoeting met twee Italianen uit de platenbizz, de opnamen in Milaan.

Het is niet meer terug te vinden waar en wanneer de opnamen hebben plaatsgevonden en hoeveel liedjes er precies op tape zijn vastgelegd. Waarschijnlijk was het ergens in de tweede helft van augustus, of misschien zelfs begin september 1957. Jack meent zich decennia later te herinneren dat ze ‘een dag of twee’ hebben opgenomen. June schrijft in een brief aan vrienden dat het ‘drie prachtige opnamedagen’ geweest zijn. Pas in januari 1966 verschijnen op Joker-records – het Italiaanse budget-label van Walter Gürtler die The Rambling Boys vaar Milaan had gehaald – twee LP’s met in totaal achtentwintig nummers: ‘Folkland Songs’ en ‘Riding in Folkland’. Discogs noemt 1969 als verschijningsjaar voor ‘Riding in Folkland’, maar dat klopt niet. De beide platen komen drie dagen na elkaar op de markt.

Of er in die drie dagen nog méér op tape is vastgelegd blijft onduidelijk. In ieder geval behoren de vier liedjes die in 1959 op het Italiaanse EP’tje ‘Sing the Western’ verschijnen alle vier tot die achtentwintig.

Zes van de achtentwintig nummers heeft het duo een half jaar eerder ook al voor het Topic-album ‘The Ramblin Boys’ opgenomen. Ook nu leggen Elliott en Adams beiden enkele solonummers vast. Jack Elliott onder meer Woody Guthrie’s ‘Hard Travelin’’, inclusief en fraaie mondharmonica-partij. Het is het enige Guthrie-liedje op beide platen. Opmerkelijk is ook de eerste opname van Adams anti-oorlogssong ‘Portland Town’. Verder ‘Mule Skinner Blues’, het allereerste nummer dat ze bij hun ontmoeting drie jaar eerder in Topanga Canyon samen gezongen hebben en niet te vergeten het door Elliott eerder al voor een soloalbum bij Topic opgenomen ‘Talking Blues’ dat naadloos op Bob Dylans vijf jaar later te verschijnen debuut-LP zou passen. En over Dylan gesproken, ook de traditional ‘Freight Train’ dat op Dylans debuut staat nemen Elliott en Derroll in Milaan al op. Plus een handvol andere traditionals die vanaf de jaren zestig hun weg vinden naar het repertoire van Dylan, zoals ‘Rich and Rambling Boy’ en ‘The Cuckoo’.

Ook hier weer een handvol songs van A.P. Carter, Jimmie Rodgers en andere countrypioniers en traditionals die tot op de dag van vandaag nog veelvuldig gecoverd worden, zoals ‘Salty Dog Blues’ en ‘Roll in my sweet baby’s arms’. Er wordt goed gezongen en gespeeld, al schijnt er tijdens de opnamen nogal wat alcohol naar binnen gegoten te zijn; vooral door de keel van Derroll Adams. Het zijn de jaren dat de éénentwigste eeuwse taboes nog geen opgang hebben gemaakt. ‘Cigarettes and whiskey and wild, wild women. They drive you crazy; they drive you insane’ zingen ze ergens op het album ‘Folkland Songs’ countrymuzikant Tim Spencer na.

De muzikanten worden na afloop van de opnamen cash uitbetaald. Het ligt voor de hand dat The Rambling Boys na het Milanese succes verder door Italië toeren. Maar al snel ligt June dwars. Ze heeft het gevoel dat ze voortdurend ‘kindermeisje’ moet spelen voor de twee kerels. Vooral de drankconsumptie van Adams stuurt haar mateloos, al schijnt de alcohol weinig invloed op zijn zong en banjospel te hebben. Daarbij blijkt Jack in aanwezigheid van Derroll ook niet altijd de gemakkelijkste. Jack Elliott kiest in eerste instantie nog partij voor Derroll, maar June is er helemaal klaar mee. Ze geeft Adams de helft van het geld dat ze in Milaan gekregen hebben en raad de banjospeler aan om naar vrienden in Parijs te gaan en zijn leven weer wat op orde te krijgen.

Parijs

Eigenlijk houdt het verhaal van The Rambling Boys hier op. Maar niet dat van Ramblin’ Jack Elliott en Derroll Adams. Sterker nog, zouden in de ruim veertig daaropvolgende jaren nooit helemaal loskomen van elkaar.

Adams slaat het advies van June in de wind, koopt van zijn geld een Lambretta scooter, hangt zijn banjo op zijn rug en koerst zuidwaarts. Maar hij blijkt toch minder dan Jack Elliott het talent te hebben om zijn geld op straat of in kroegen bijeen te spelen. Later vertelt hij in interviews dat hij op een gegeven moment compleet aan lager wal en ondervoed in een kerk in Pompeii ter aarde stortte, om vervolgens weer opgelapt te worden door enkele bezorgde prostituees. Gebrek aan drama kan hem niet ontzegd worden.

Uiteindelijk komt hij weer wat tot zichzelf in Parijs. Daar ontmoet hij onder meer de Schotse troubadour Alex Campbell, een echte vagebond die na jarenlang als ambtenaar in Londen gewerkt te hebben rond zijn dertigste, halverwege de jaren vijftig, bij een akkefietje betrokken raakt dat hem motiveert per onmiddellijk ontslag te nemen. Hij schrijft zich in aan de Sorbonne in Parijs, maar van studeren komt weinig en Campbell, die al langer bekend is met het Amerikaanse folkrepertoire, besluit als ‘busker’ op straat en in metrostations zijn eten, drank en onderkomen bij elkaar te scharrelen. Later, als hij een ‘echte’ carrière heeft opgebouwd, kan hij smakelijk vertellen over tijd dat hij zijn winters in Parijs en zijn zomers aan de Côte d’Azur. Als ‘ruwe bolster’ was hij overal welkom op feestjes van de rijken die hem dik betaald twee of drie liedjes lieten zingen waarna hij zich ongeremd tegoed kon doen aan drank en spijzen.

Natuurlijk is er meteen een ‘click’ tussen Adams en Campbell. Beiden zijn levensgenieters die elkaar vinden in de voorkeur voor drank, rookwaar en vrouwelijk schoon. Maar ook muzikaal zijn er overeenkomsten. Voor zijn eerste platen in de jaren zestig put Campbell grotendeels uit dezelfde traditionals als Adams en Elliott en later zal hij zowel Adams’ ‘I wished I was a rock’ als diens ‘Portland Town’ opnemen.

Het Parijs tussen 1957 en 1963 was met enige onregelmatige regelmaat ook het thuis van een aantal Amerikaanse beatschrijvers, met name Allen Ginsberg, William Burroughs en Gregory Corso. Biograaf Barry Miles, die veel over de Beats publiceerde beschrijft ook ontmoetingen met Derroll Adams in die tijd. Niet zo verwonderlijk. De Amerikaanse gemeenschap in de Franse hoofdstad is in die tijd nog heel wat bescheidener van omvang dan vandaag de dag en de rondreizende ‘folkies’ en de ‘beats’ hebben nogal wat gemeen. Met name een vergelijkbare bohemien-levensstijl in combinatie met een voortdurend gebrek aan geld. Dus is de kans groot dat ze in dezelfde goedkope hotels logeren en elkaar de beste adressen doorgaven voor dope en drank.

Maar de belangrijkste Parijse ontmoeting voor Derroll is die met Isabelle, een getalenteerd ontwerpster van goeden huize. Het is liefde op het eerste gezicht en het paar trouwt halsoverkop, zeer tegen de zin van Isabelle haar vader, een dorpsburgemeester, en de rest van de familie die zich iets anders aan haar zijde hadden voorgesteld dan deze ruw gebolsterde en whiskey-minnende Amerikaanse cowboy. Het paar verhuist naar Brussel, een vrijwillige ballingschap. In de Belgische hoofdstad begint Isabelle met succes een ontwerpbedrijf voor mode-etalages. Adams ondersteunt haar en zet daar zelfs zijn banjo voor opzij, althans voorlopig.

Mistral

Ondertussen hebben Jack en June eveneens scooters aangeschaft. Vespa’s en vertrekken in de nazomer van 1957 naar Rome waar Jack Elliott al snel aan de slag kan bij gerenommeerde clubs als Brick Top en Via Veneto. In november steken de Elliotts de Adriatische zee over naar Griekenland. De Vespa’s nemen ze mee. Via Bari, Corfu en Athene komen ze uiteindelijk op het eiland Hydra terecht, waar ze te gast zijn bij de Australische schrijver en journalist George Johnston en diens vrouw en bij hen kerst vieren. Ruim twee jaar later zal Leonard Cohen voor het eerst naar het eiland komen en eveneens vriendschap sluiten met de Johnstons; maar dat terzijde.

Terug in Italië, begin 1958, maken Jack en June plannen om met hun Vespa’s dwars door Europa te gaan, tot Scandinavië aan toe. Maar al snel komen ze erachter dat dat tweewielertje midden in de winter toch wel een erg koud vervoermiddel is. Op een dag, in de Italiaanse Alpen ziet Elliott een foto in een krant. ‘Hé, die vent ken ik’, zou hij volgens de overlevering uitgeroepen hebben. Het is Jack Kerouac, de beatschrijver die vijf jaar eerder bij zijn vriendin Helen Parker over de vloer kwam. Elliott leest geen Italiaans, maar begrijpt dat Kerouacs boek ‘On the Road’ eindelijk is uitgegeven. Hij wijzigt de plannen en reist met June naar Parijs om bij de Engelstalige boekhandel aldaar een exemplaar te kopen. Eenmaal in de winkel in kwestie, Mistral, die later omgedoopt zou worden in Shakespeare and Company, treft hij Ginsberg en Corso, die voorbereidingen aan het treffen zijn voor een programma waar ‘On the Road’ aan het Parijse publiek gepresenteerd zal worden. Jack Elliott is erbij, schijnt zelfs nog een paar Woody Guthrie nummers gespeeld te hebben, maar daar zijn verder geen getuigenissen van bekend.

De Elliotts reizen verder over het continent. Jack krijgt her en der goede concerten aangeboden en in de zomer besluit het paar bij Derroll en Isabelle in Brussel op bezoek te gaan. Er blijken geen ‘hard feelings’ over en weer. In Brussel is die zomer de grote Wereldtentoonstelling gaande. Het Amerikaanse paviljoen biedt allerhande cowboy-en-indianen-folklore en Jack weet de organisatoren over te halen om The Rambling Boys te laten optreden. Derroll Adams blaast de stof van zijn banjo en doet mee.

Aansluitend reizen de Elliotts door naar Londen, waar Jack nog een country-album opneemt voor Columbia en dan is het – na ruim drie jaar Europa – tijd om terug naar de Verenigde Staten te gaan. Van de relatieve roem die Jack in Europa, en dan vooral in Engeland, geniet is in Amerika geen sprake. Jack gaat in Los Angeles bij een scheepswerf werken, maar hij blijft ook zingen. Voorjaar 1959 in de nog altijd bestaande folkclub The Troubadour en die zomer op het Berkeley Folk Festival.

Israël

Later dat jaar nodigt Pete Seeger Jack Elliott uit om mee op tournee te gaan door Engeland en Jack neemt de uitnodiging aan. Het bevalt zo goed dat als Seeger terug naar Amerika gaat Jack en June besluiten in Europa te blijven en naar Parijs door te reizen. De geschiedenis lijkt zich te gaan herhalen, maar inmiddels zijn er scheurtjes in de relatie van het echtpaar gekomen. In de Franse hoofdstad komen ze de Schot Alex Campbell tegen, die ze nog van vorige bezoeken kennen. Jack en Alex kunnen prima met elkaar opschieten. Maar June is de afgelopen vijf jaar eigenlijk geen spat verder gekomen wat haar filmambities betreft en dat zit haar dwars.

June weet Jack over te halen met haar mee te gaan naar Israël, waar ze eind 1959 aankomen. Drie maanden later heeft Jack aanbiedingen voor een aantal goede concerten in Engeland. June zegt dat ze niet meegaat en dat hun huwelijk wat haar betreft voorbij is. In Engeland volgt een kortstondige hereniging met Derroll Adams, waarna Jack Elliott een paar maanden alleen door Europa zwerft. Zomer 1960 is hij weer in Israël waar hij nog een paar maanden met June in een Kibboets doorbrengt. Hij hoopt hun relatie nog een kans te geven, maar voor haar is over en uit.

Jack heeft nog en paar concerten en radioverplichtingen in Engeland maar in november van dat jaar keert hij definitief terug naar New York. Na vijf jaar is er een einde gekomen aan zowel zijn huwelijk met June als aan zijn Europese avontuur.

Schilderen

Ook het huwelijk van Derroll en Isabelle houdt geen stand. Halverwege de jaren zestig gaat Adams naar Londen waar hij weer banjo gaat spelen, zich ontfermt over het aanstormende folktalent Donovan en een nog inniger relatie met de alcohol omarmt. Maar in Londen maakt hij in 1967 ook zijn eerste soloplaat die ‘Portland Town’ heet, naar zijn bekendste nummer dat hij opnieuw opneemt. Naast ‘I Wish I Was a Rock’ en andere nummers die hij eerder al met Elliott speelde, zoals ‘Mule Skinner Blues’ en ‘900 Miles’. En zowel Ramblin’ Jack als Alex Campbell speelt mee op gitaar.

De plaat zal invloedrijk blijken. Eind jaren zestig markeert de opkomst van de folk en countryrock. De muzikanten van CCC Inc., om maar een voorbeeld te noemen, lopen weg met Adams. Eind jaren zestig ontmoet Derroll de Belgische Danny Levy. In 1970 trouwen ze, vestigen zich in Antwerpen en blijven tot zijn dood in 2000 bij elkaar. In de jaren zeventig en tachtig toert hij eindeloos langs de Europese folkclubs en festivals. Hij speelt dan regelmatig in Nederland. Zo is Adams in oktober 1977 in folkcafé De Teerling in Haarlem, waar nota bene Boudewijn de Groots tekstschrijver Lennaert Nijgh die avond de opnameknop van de taperecorder bedient. Het concert zal in 2016 op cd verschijnen, eveneens bij Strictly Country Records. En ook dat concert begint Adams met ‘Mule Skinner Blues’. Naar Amerika wil hij niet meer terug. De mentaliteit vindt hij daar te hard, te oorlogszuchtig. Niet voor niets kiest hij voor Vlaanderen waar de zachtste taal van Europa wordt gesproken.

Eens in de zoveel jaar komt Jack Elliott over naar Europa. Dan spelen ze een paar concerten samen. Een enkele keer een complete tournee. Dat gebeurt voor het laatst in de vroege jaren negentig. Een van die concerten, in het Duitse Rudolstadt, is op YouTube terug te vinden. Maar Derroll zal steeds vaker kiezen voor zijn andere passie, schilderen. Februari 2000 overlijdt hij in Antwerpen.

Dylan

Over Jack Elliott doet her en der het verhaal de ronde dat hij bij terugkomst in New York regelrecht naar het hospitaal ging waar Woody Guthrie verpleegd werd en daar Bob Dylan aan het bed trof. Zo is het niet precies gegaan. Eenmaal terug in New York, eind november1960, krijgt Ramblin’ Jack een ‘residency’ aangeboden in Gerde’s Folk City, in die tijd de belangrijkste folkclub in Manhattan. Niet veel later gaat hij bij Guthrie in het ziekenhuis langs.

Bob Dylan komt echter pas twee maanden later in New York aan, op 24 januari 1961. Jack Elliott ontmoet hem inderdaad aan het bed van Guthrie, maar dat is pas in de laatste week van januari of de eerste van februari geweest. En net als Jack Elliott is Dylan 19 als hij met Woody kennis maakt, al is Guthrie dan al in een veel slechtere conditie dan tien jaar daarvoor.

Elliott en Dylan raken direct bevriend. Bob vertelt Jack dat hij niet alleen het oude Guthrie-werk kent, maar ook de Topic-platen die Elliott in Engeland heeft opgenomen. Bob Dylan wordt Jacks protegé. Zeker in de beginjaren van zijn carrière. Ze gaan veel met elkaar om, trappen lol, bezoeken concerten, maar staan niet of nauwelijks samen op het podium. Hooguit spelen ze een enkele keer op hetzelfde festival en in 1975 nodigt Dylan Elliott uit om me te werken aan de legendarische Rolling Thunder Revue.

Ramblin’ James Elliott was en is nooit een ‘Bob Dylan’. Hij representeerde nooit de tijdgeest zoals Dylan dat deed en bereikte daarom nooit een groot publiek. Maar hij is weldegelijk en overlever gebleken en treedt op z’n 93ste nog altijd op.

Bootleg

In 1966 worden de opnamen die in 1957 Milaan gemaakt zijn eindelijk door Joker op de markt gebracht als ‘Folkland Songs’ en ‘Riding in Folkland’. En alleen in Italië. Maar de belangstelling is zo groot, dat de oplage al snel via de exportkanalen de wereld over gaat en binnen de kortste keren uitverkocht is. Een jaar later verschijnt er op Bounty, een Engels sublabel van Elektra, alleen van ‘Riding in Folkland’ een heruitgave in een andere hoes. De ‘linernotes’ op de hoes zijn van Joe Boyd, de Amerikaan die halverwege de jaren zestig net in Londen voor Elektra is komen werken en korte tijd later bekend zal worden als producer voor onder meer de Incredible String Band; Fairport Convention en Nick Drake. In 1969 en 1975 komt Joker zelf nog met heruitgaven van beide platen, maar dan is de koek echt op.

Met de komst van de CD is het gedaan met de rereleases – Joker brengt alleen vinyl uit. Het is het moment dat de ‘bootleggers’ toeslaan. Vanaf de jaren negentig verschijnen er CD’s van de Milaan-opnamen van Adams en Elliott op labels met fantasienamen als Gold Sound, Cameo en Music of the World. Soms compleet, soms een selectie en soms in een andere volgorde.

Het is alweer geruime tijd gleden dat Pieter Groenveld van Strictly Country Records één van die bootleg-CD’s in handen kreeg via de inmiddels overleden Nederlandse bluegrassmuzikant Theo Lissenberg. Groenveld gaat niet over één nacht ijs. Hij laat de opnamen zorgvuldig opnieuw ‘masteren’ door Janos Koolen, muzikant en technicus die als weinig anderen de karakteristieke ‘sound’ van folkmuziek begrijpt. Hij heeft de hoezen laten vormgeven op een wijze die recht doet aan de eerste LP-uitgaven, inclusief de authentieke prenten. Bovendien heeft hij – in tegenstelling tot de eerdere bootleggers – toestemming voor de uitgaven gevraagd aan zowel de erven Adams als aan het management van Elliott.

Muziek van bijna zeventig jaar oud die gebracht wordt met een energie die later slechts aan rock en punk voorbehouden leek. Folksongs uit een tijd dat ‘folk’ nog niet synoniem was met wegkruipen in de eigen navel. Cowboymuziek waarmee werkelijk verhalen vertelt worden die van alle tijden zijn. De beide CD’s ‘Folkland Songs’ en ‘Riding in Folkland’ zijn op 14 februari 2025 verschenen bij Strictly Country Records.

 Peter Bruyn

De drie belangrijkste bronnen voor dit verhaal: [1] Ramblin’ Jack Elliott; The Never-Ending Highway – Hank Reineke (2010, Scarecrow Press, Plymouth, UK); [2] Derroll Adams; L’Homme au Banjo (film van Patrick Ferryn, 2005); [3] Ginsberg; a Biography – Barry Miles (Penguin, 1990).

Onderaan de post is een blokje waar u een reactie achter kunt laten. Ik stel dat zeer op prijs! U wordt gevraagd om een mailadres. Dit mailadres wordt niet gepubliceerd, maar stelt mij – als beheerder van deze site – in staat om te reageren op uw reactie. Het is ook mogelijk je te abonneren op Birdeyes. Kijk daarvoor op de homepagina van deze site en laat je mailadres achter. Je krijgt dan een berichtje als er een nieuwe post is geplaatst.