Eerder schreef ik al eens dat ik sinds een paar maanden vrijwilliger ben bij de Groninger Archieven en daar (onder andere) dia’s uit de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw catalogiseer en in het systeem van de Groninger Archieven plaats. Leuk en ook fascinerend werk, want af en toe kom je heel aardige verrassingen tegen. Zo kwam ik een paar weken geleden iets tegen waar ik van dacht dat ik maar even moest omfietsen op weg naar huis. Het ging over een klein monumentje dat geplaatst is op de plek waar de Diamantlaan (in de huidige wijk Vinkhuizen) uitkomt op het Hoendiep.


Het monument ‘De verdronkenen van Nienoord’ werd precies 100 jaar na de ramp op 6 november 2007 onthuld en is te vinden tegenover Energieweg 1027 in Groningen, op een veldje direct tegenover de plek waar de huidige Diamantlaan uitkomt op de Energieweg. Jikke Jager uit Midwolda, beeldhouwer en medailleur, ontwierp het monument.


De verdronkenen van Nienoord
Nabij deze plek verdronken op 6 november 1907
Jonkheer Mr. J. Æ. A.van Panhuys
Minister van Staat
Commissaris des Konings
Vrouwe T. van Panhuys-Looxma
Zijn echtgenote
Jonkheer H. van Panhuys
Burgemeester van Leek, hun zoon
Vrouwe E. van Panhuys-De Blocq van Scheltinga
Zijn echtgenote
M. van Wijk
Palfrenier
Op een donkere mistige avond op weg naar Nienoord
Ik had wel eens gehoord over dit ongeluk, maar ik heb altijd het gevoel gehad dat de plaats waar het ongeluk gebeurde veel verder van de stad Groningen was verwijderd. Onwetend ben ik al heel vaak langs de plek van het monumentje (en daarmee langs de plek van het ongeluk) gefietst. Destijds, op woensdagavond 6 november 1907, was het ongeluk landelijk nieuws.

Destijds maakte het ongeluk een diepe en blijvende indruk op veel Groningers en de kranten hebben dan ook veel geschreven over deze tragische gebeurtenis. Als je op Delpher de kranten uit die periode na gaat zoeken is er een schat aan informatie te vinden. Ik heb uit als deze publicaties één knipsel uitgekozen om in deze post te gebruiken. Het Nieuwsblad van het Noorden schreef het volgende op de dag nadat het ongeluk gebeurde.

GRONINGEN, 7 November.
Vreeselijk ongeluk.
Vijf menschen verdronken
Een vreeselijk ongeluk gebeurde gisteravond half elf even buiten de stad. Aan een bekende en geachte familie werden plotseling vier leden door een verschrikkelijken dood ontrukt, terwijl dezelfde ramp nog een ander menschenleven met zich sleepte. Slechts met groote moeite kon een zesde persoon worden gered.
Jhr. mr. J. E. A. van Panhuys en zijne echtgenoote T. Lookma, benevens zijn zoon jhr. H. van Panhuys en diens echtgenoote, freule de Blocq van Scheltinga, kwamen van een diner van burgemeester Starkenborgh, alhier, en reden in hun reiswagen naar hun buiten Nienoord bij de Leek terug.
Een dikke, ondoordringbare mist hing overal, en vooral langs ’t Hoendiep was ’t voor den koetsier Meijer onmogelijk ’n handbreed voor zich uit te zien. Onder deze omstandigheden was ’t dan ook niet te verwonderen, dat hij ’t spoor bijster werd en vooral met de bochten, die de weg maakt, in de war raakte. Zoo moet hij gemeend hebben ’t tolhuis reeds gepasseerd en aan een bocht gekomen te zijn, die hij eerst later krijgen moest. ’t Gevolg daarvan moet geweest zijn dat paarden en wagen in ’t Hoendiep geraakten. In hun pogingen om zelfbehoud moeten de dieren getracht hebben den wal te bereiken, de wagen werd daardoor omgedraaid en viel meteen op zijde, ’t zoodoende voor de inzittenden onmogelijk makende zich te redden.
Vreeselijk moet de doodsstrijd geweest zijn, dien zij daar gestreden hebben, verschrikkelijk ’t drama, dat zich in ’t rijtuig heeft afgespeeld. Wie echter zal iets meedeelen over de laatste oogenblikken van de vier personen, die zich elke hoop op behoud ontnomen zagen?
En dan de huisknecht Meendert van Wijk: ook hij heeft zich niet meer weten te redden. Niet zoo vertrouwd op den bok als de koetsier, moet hij niet zooals deze ’n houvast hebben weten te krijgen en ver van ’t rijtuig in ’t water geslingerd zijn.
Angstig hebben zijn kreten om hulp in den stillen stik-donkeren nacht geklonken. De bewoners van ’t tolhuis werden er door naar buiten geroepen, maar ’t duurde lang voor zij wisten wat er eigenlijk aan de hand was. Eindelijk bemerkten zij een boven ’t water uitstekend licht, dat de eene lantaarn van ’t rijtuig bleek te zijn.
’t Publiek groeide langzamerhand aan, maar helpen was op ’t eerste oogenblik onmogelijk. Geen man, tien of achttien, wilde of dorst er middenin komen, beginnen? Aan den overkant lagen booten genoeg. Maar de eigenaar was in diepe rust. Geen geroep, geen geschreeuw kon hem wakker krijgen, Eerst toen de Lemmerboot voorbijkwam had men materieel en kon men tot lichten van den wagen overgaan, wat dan ook dadelijk gebeurde.
Onderwijl was reeds brandweer en politie gealarmeerd en op de plaats des onheils aanwezig. Grillig-fantastisch verlichtten de fakkels ’t terrein en wierpen ’n schijnsel op den inhoud van ’t rijtuig, waar de oude heer van Panhuys nog rechtop zat, overleden echter, terwijl ook de anderen niet meer in leven bleken te zijn.
Met behulp van ’n ladder werd de koetsier op den wal geholpen, de huisknecht was echter nog steeds zoek, na lang dreggen werd ook zijn lijk opgehaald. De doctoren Houwerzijl en Hekman van Groningen en dr. Mansholt van De Leek, waren spoedig op de plaats des onheils en poogden de levensgeesten der verdronkenen nog op te wekken, helaas echter te vergeefs. Het huis van den tolbaas was in een lijkenhuis veranderd, plotseling als ’t ware en droef moet de aanblik zijn geweest van de vijf lijken dier menschen, die nog pas zoo vol levens vreugde waren gekomen van een gezelligen disch en van wie vermoedelijk de gedachten wel niet bij den dood zullen zijn geweest.
Burgemeester van Starkenborgh was spoedig ter plaatse en zorgde er voor dat de lijken werden overgebracht naar het stadsziekenhuis per brancard van de politie en van het ziekenhuis zelf. Treurige plicht, die hij, nog pas gastheer, thans aan zijn gasten van daareven had te vervullen!
Dit is de lezing van ’t ongeluk, zooals we die te Leek vernamen, een andere echter gaat ook rond, nl, dat de koetsier, bevreesd geworden, door de mist van ’t rijtuig gesprongen was en de teugels der paarden gegrepen had. Deze waren toen een weinig schichtig geworden, iets achteruit geloopen, waardoor de wagen in ’t diep gleed.
Groote verslagenheid heerschte in de stad toen men het ongeluk vernam, maar niet minder is men te Leek onder den indruk, waar t oude trotsche Nienoord staat, dat gedurende jaren de verblijfplaats der van Panhuysen is geweest. ’t Kerkje te Midwolde bergt in het familiegraf nu reeds ’t stoffelijk overschot van vele weldoeners uit ’t zelfde geslacht en ook de overledenen moeten voor ’t dorp alles zijn geweest.
Vol weemoed, met tranen in de oogen wordt overal ’t geval besproken: velen kunnen den omvang van ’t verlies nog niet beseffen, gelooven nog niet, dat de familie niet weerkeeren zal. Vele arbeiders vonden door de beide heeren een goed bestaan en onzeker staat thans de toekomst voor hen open. Maar afgescheiden daarvan, ’t vriendelijk optreden, overal, waar ook, van de omgekomenen zal in weemoedige herinnering blijven onder alle ingezetenen van het dorp.
Maar ook daarbuiten zal ’t verlies worden gevoeld. Wat al is jhr. mr. J. Æ. A. van Panhuys voor stad en provincie, ja voor ’t heele land niet geweest!
Den 17en October 1836 werd hij geboren op het aloude slot Nienoord, vroeger eigendom van zijn voorouders van moederszijde, de baronnen van Innhausen und Kniphausen. Na ’t gymnasium te Winschoten en de hooge school te Groningen bezocht te hebben, werd hij op 3 Juli 1859 te Groningen tot doctor in de beide rechten bevorderd.
Kort na zijne promotie, gehuwd met jonkvrouw van Sminia (later is jhr. van Panhuys in tweeden echt verbonden met de douairière de Blocq van Scheltinga, geb. Looxma,) vestigde hij zich op ’t buitenverblijf ‘Jonghemastate’ te Rauwerd, werd al spoedig tot schoolopziener benoemd, (in welke betrekking hij zich’n warm vriend van ’t volksonderwijs betoonde) en tot lid der Provinciale Staten van Friesland gekozen. Vervolgens werd hij benoemd tot burgemeester van Tietjerksteradeel om den 15 October 1880 te worden geroepen tot het ambt van burgemeester van Groningen.
Den 8 Januari 1883 werd hij Commissaris der Koningin in deze provincie, welk ambt, door hem tot 16 Februari 1893 bekleed werd. Vervolgens was hij Commissaris der Koningin in de provincie Overijsel van 16 Februari 1893 tot Augustus van dat jaar, toen hij, gehoor gevende aan den wensch van H.M. de Koningin vice-president van den Raad van State werd, toegerust als hij was met een grondige kennis van het Nederlandsche staatsrecht en de eigenschappen, die een staatsman behoort te bezitten. Drie jaar lang heeft hij dit hooge ambt bekleed, om zich daarna om gezondheids redenen uit het staatsleven terug te trekken en de laatste jaren van zijn welbesteed leven in rust op den huize ‘Nienoord’ door te brengen. H.M. de Koningin benoemde hem om zijne groote verdiensten tot Minister van Staat. De overledene was ridder in de Orde van den Nederlandschen Leeuw, ridder 2e klasse in de Orde van den Gouden Leeuw van Nassau, en kommandeur in de Orde van van Oranje Nassau.
Jhr. Van Panhuys laat drie dochters na en wel- freule Van Panhuys hier ter stede, freule Van Panhuys douairière van Speelman te Haarlem en freule Van Panhuys wonende in Gelderland.
Jhr. H. van Panhuys, de zoon, werd 14 November 1868 te Bergum in Friesland geboren, werd den 26 September 1901 gekozen tot lid van de Provinciale Staten in het kiesdistrict Zuidhorn, in welke hoedanigheid hij ook steeds de belangen dier streek met warmte behartigde en werd 1 Maart 1902 benoemd tot burgemeester der gemeente Leek. Verder was hij kamerheer in buitengewonen dienst van H. M. de Koningin. Zijne overleden echtgenoot was eene freule de Blocq van Schellinga. Het echtpaar laat een jongetje van 13 jaar en een meisje van 6 jaar na.
De overledene was nog oud-voorzitter van het departement ‘Vredewolde’ van de Maatschappij tot Nut van ’t algemeen en voorzitter van eene liefdadigheidsvereeniging.
Welk een verlies het overlijden van de personen ook financieel voor de gemeente beteekent moge blijken uit het feit, dat door den ouden heer Van Panhuys ruim ƒ 7000, zijnde 1/3 gedeelte van den geheelen H.O. der gemeente Leek werd betaald.
De huisknecht Meindert van Wijk was ongehuwd. Zijn vader, onbekend met ’t ongeluk dat zijn zoon getroffen had, trok heden naar de stad, slechts gedeeltelijk voorbereid. Wel in kleineren kring, maar daar zeer zeker niet minder erg zal ’t verlies van den oppassenden jongeman, worden gevoeld.
De koetsier is hedenmorgen naar zijn woning te De Leek vervoerd. Zijn toestand was heden vrij bevredigend. Zeer was hij onder den indruk van het geval, wat te begrijpen is, daar hij reeds jarenlang de familie Van Panhuys als koetsier heeft gediend.



Beno Hofman was een historicus met een grote passie voor de geschiedenis van de stad Groningen, hij maakte een groot aantal filmpjes over historische onderwerpen met betrekking tot de stad Groningen. Ik heb een aflevering van Beno’s Stad op YouTube gevonden (volgens mij uit 2006) en vind het de moeite waard om deze op deze plek met jullie te delen.

Facebook reacties