
Gram Parsons en ’t begin van de pogingen om country en rock tot een nieuwe muziekvorm om te vormen. In het begin van de maand december 1966 had The Lovin’ Spoonful een enorme hit in de Verenigde Staten met het nummer ‘The Nashville Cats’. Overal was het nummer te horen, op vrijwel elk radiostation en elke draaitafel werd het nummer gedraaid. De song was een soort voorbode van een nieuwe populaire en commerciële vorm van countrymuziek. De mensen die zich voornamelijk aangetrokken voelden tot deze nieuwe vorm van countrymuziek, de groep luisteraars bestond voornamelijk uit de jonge, bewoners van de noordelijke staten die tot dusverre hoofdzakelijk naar rockmuziek hadden geluisterd. Het belangrijkste lid van The Lovin’ Spoonful was zanger en songwriter John Sebastian. Hij was goed op de hoogte van de muzikale traditie in de meer zuidelijke gelegen staten, bovendien maakte hij deel uit van het groepje mensen dat de folkrevival (van de jaren zestig) in Greenwich Village stimuleerde. Hij had ‘The Nashville Cats’ geschreven na een gesprek met de overige leden van de band. Jaren later, in een interview zei hij: ‘veel van ons materiaal kwam voort uit de talloze gesprekken die we onderling hadden. Over het algemeen was ik de componist van de groep. Eén van de gesprekken die we steeds weer hadden behandelde het thema dat de wereld maar amper wist dat de musici uit Memphis en Nashville veel en veel beter waren als een stelletje rock and rollers zoals wij. Hoe zou het gekomen zijn dat niemand dit gegeven tot dusverre ontdekt had? Zou het komen omdat veel van onze luisteraars 20 zijn in plaats van 30? Dat was ongeveer het gesprek waar deze song op gebaseerd was?’

Natuurlijk was dit interview niet al te nauwkeurig op gebied van musici in Memphis – de stad was tenslotte een van de plaatsen waar de rock and roll geboren werd. Ondanks dat was John Sebastian wel één van de mensen die het idee dat de wereld van de rock and roll in de jaren zestig de countrymuziek ernstig verwaarloosde. Veel van de jongere musici speelden rock and roll en beschouwden countrymuziek als muziek van een oudere generatie – een gegeven dat tot op de dag van vandaag voortduurt. Sebastian’s song ‘The Nashville Cats’ was goedbeschouwd één van de eerste pogingen om deze na de tweede wereldoorlog ontstane generatiekloof te overbruggen. Een jaar eerder had The Who veel succes met het nummer ‘My generation’ gehad. De song borduurde voort op de eerdergenoemde generatiekloof en ging uit van het concept dat dit een goede zaak was – de song bevatte de later veel bekritiseerde zin ‘I hope I die before I get old’.
‘The Nashville Cats’ was bovendien bedoeld om een soort muzikale verzoening tussen de noordelijke en de zuidelijke staten te bewerkstelligen. De song erkende op een liefdevolle manier gezien, vanuit een noordelijk standpunt gezien, dat de blanke zuidelijke cultuur een rijkere muzikale traditie had dan men in het noorden gewend was. Dit was, zeker in de tijd van de burgerrechtenbeweging en de politieke onrust in het zuiden, een opmerkelijk geluid. Het zuiden stond in die tijd (zeker) bekend als een oerconservatief politiek en cultureel bolwerk. Er kunnen nog meer serieuze betekenissen aan deze song gegeven worden, maar uiteindelijk werd de song voornamelijk een succes omdat het een leuke commercieel verantwoorde song was – alle sociologische nevenbetekenissen speelden in het uiteindelijke succes van de song nauwelijks een rol van betekenis. In het noorden had de song redelijk veel succes; het bereikte er de 8e plaats in de hitlijsten, waarschijnlijk uitsluitend door het feit dat het een op een slimme manier geschreven song was.
Toch bereikte The Lovin’ Spoonful niet dat veel noordelijke luisteraars overstapten op countrymuziek, en ook de muziek die in de verte een beetje op countrymuziek leek had er nauwelijks meer succes door. De realiteit was dat zowel in het noorden als het zuiden de meeste luisteraars onverschillig en soms zelf ronduit vijandig reageerden op de pogingen rock en countrymuziek samen te smelten tot een nieuwe muziekvorm – dat is, als ze de muziek überhaupt al hoorden, want over het algemeen waren de verkoopcijfers niet al te best en ook de verschillende radiostations.
Rond het begin van de jaren zestig was deze situatie anders. Toen besteedden de radiostations veel aandacht aan de folkrevival en de verschillende pogingen om country en folk beter met elkaar in evenwicht te brengen. Waarschijnlijk gebeurde dat ook uitsluitend vanuit commerciële motieven – en die zagen de programmamakers niet bij de opkomst van de countryrock… Het was de periode dat grote sterren zoals Johnny Cash, Johnny Horton, Patsy Cline en Marty Robbins hun carrières zagen starten. De tijd dat zij veel songs in de hitparade hadden was grotendeels voorbij toen The Beatles hun intrede deden verleenden vrij weinig medewerking. Er waren maar heel weinig mensen die konden voorzien dat het succes van ‘The Nashville Cats’ in december 1966 de voorbode van een enorm succesvolle nieuwe stroming – de countryrock – in de countrymuziek zou worden.
Er zijn eerdere voorbeelden van rockers die een interesse in de countrymuziek toonden, denk bijvoorbeeld maar aan het feit dat The Beatles een cover op hebben genomen van Buck Owen’s hit ‘Act naturally’. The Byrds namen een versie op van Porter Wagoner’s hit ‘Satisfied mind’; beide gebeurtenissen dateren van 1965. Ondanks dat blijft de song ‘Nashville Cats’ toch een mijlpaal in de opkomst van de countryrock. Het was immers de eerste echte hit door een alom gerespecteerde countryrock groep die erkende een flinke dosis van de diverse tradities in de countrymuziek mee te hebben gekregen. In de drie jaar na ‘Nashville Cats’ waren er een aantal artiesten – solo zowel als groepen – die gebruik maakten van het idioom van de rock and roll, maar een soort huwelijk probeerden te bewerkstelligen tussen het gevoel en de instrumentatie van de countrymuziek en het eerdergenoemde idioom van de rock and roll. Sommige van deze artiesten hadden al een redelijke naam opgebouwd in de muziekindustrie (zoals The Byrds), sommige werden genegeerd maar waren zeer talentvol (zoals Gene Clark), en sommigen waren volledige onbekenden (zoals Steve Young). Een aantal artiesten die veel gedaan hebben aan de opkomst van de countryrock verlieten de muziekstijl weer vlot – bijvoorbeeld Bob Dylan – anderen werkten hard om de volledige mogelijkheden van de muziek uit te buiten – we denken dan aan iemand als Gram Parsons.
In het begin van de jaren zeventig was de countryrock een geaccepteerde stroming binnen de rock geworden, kijk maar eens naar de impact die de opnamen van Crosby, Stills, Nash & Young hadden. In het voorjaar van 1970 schoot het album ‘Déjà vu’ naar de 1e plaats in de hitparade en het nummer ‘Teach your children’ steeg naar een 16e plaats in de hitparade.

De groep Grateful Dead brak ook in 1970 door met twee albums, ‘Workingman’s Dead’ en ‘American Beauty’. De beide albums stegen naar een respectievelijk 27e en 30e plaats. Neil Young had een soloalbum – ‘Harvest’ – dat gedeeltelijk in Nashville opgenomen was. Het album schoot naar een 1e plaats in het begin van 1972. The Eagles brachten in 1972 een album onder dezelfde titel uit, dit album steeg naar de 22e plaats in de hitparade. Tegen het midden van de jaren zeventig was countryrock een succesvolle stroming geworden en konden we de opkomst van The Outlaws – aangevoerd door mensen als Waylon Jennings en Willie Nelson – meemaken.
Ondanks het feit dat een aantal van de pioniers van de countryrock nog steeds veel op de radio te horen zijn (artiesten zoals Crosby, Stills, Nash & Young en The Eagles zijn hoekstenen van de rockzenders) worden de albums van veel andere pioniers uit de begintijd van de countryrock – van circa 1966 tot circa 1969 – ondergewaardeerd en zijn ze vrij weinig meer op de radio te horen.

Een van de pioniers van de countryrock, Chris Hillman, merkte onlangs op dat hij en zijn tijdgenoten in de scène van Los Angeles in de jaren zestig over het algemeen muzikanten waren die ervoor kozen om countryrock te spelen, maar opgegroeid waren met folk, country of bluegrass. Hij wist drie invloedrijke groepen te identificeren: The Byrds (waar hij zelf deel van uit maakte), The Lovin’ Spoonful en Buffalo Springfiekld. Zijn stelling is dat deze groepen voornamelijk opgebouwd werden uit allerlei laatbloeiers, mensen die zich op latere leeftijd op de rock oriënteerden. ‘Tegen de tijd dat wij muziek begonnen te maken deden we niets anders dan voortborduren op onze eigen muzikale erfenissen – de dingen die we mee hadden gekregen’, aldus Hillman. Deze musici hadden niet het gevoel dat ze enige afbreuk aan de muziek deden door vrijmoedig allerlei stromingen met elkaar te combineren.
Gene Clark – ook een van de countryrock pioniers – speelde vroeger een tijd samen met Chris Hillman in The Byrds. Hij is van mening dat de muziek die hij samen met Doug Dillard in de late jaren zestig met hem in The Dillard & Clark Expedition maakte een natuurlijk vervolg was op de countrymuziek die de musici in hun jeugdjaren in Missouri gehoord hadden. ‘De country en western muziek zal zeker blijven bestaan’, zo vertelde hij een interviewer in 1969, ‘omdat het een vastgesteld gegeven is dat het deel van de muzikale geschiedenis van dit land uitmaakt. Doug en ik zijn gewoon een exponent van deze muzikale erfenis. Wij proberen onze muziek puur te houden. We spelen hoofdzakelijk elektrisch, maar toch proberen we de muziek zo veel mogelijk puur te houden’.
♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦
De vraag waar de verscheidene musici de inspiratie vandaan haalden om min of meer gelijktijdig met een nieuwe stroming te beginnen blijft natuurlijk bestaan. Michael Nesmith denkt dat de radio de voornaamste inspiratiebron geweest is. Hij heeft in de jaren zestig een tijdje bij The Monkees, een prefab groep die voornamelijk voor de televisie opgericht was, gezeten. Nesmith is een belangrijke figuur in de opkomst van de countryrock geweest. In eerste instantie vanwege zijn werk als singer/songwriter na zijn verblijf in The Monkees, bovendien fungeerde hij in de tweede helft van de jaren zestig als presentator van de populaire Mondaynight Hootenannie in The Troubadour – in die tijd de belangrijkste club in Los Angeles voor mensen die geïnteresseerd waren in mengvormen van country, rock, folk en rhythm en blues. Nesmith heeft een interessante kijk op de ontwikkelingen in die tijd – volgens de hoestekst van een van de uitgaven op Rhino Records. ‘De kleine lokale radiostations hebben een cruciale rol gespeeld. Van het zuidwesten tot het westen van het land was er nauwelijks een verschil tussen de radiostations die country, R&B of rock uitzonden. In feite zonden ze alleen maar muziek uit die op dat moment bij de jeugd populair was geworden’.

De man die later de meeste eer zou krijgen voor zijn rol in het samensmelten van country en rock werd op 5 november 1946 in Winter haven, Florida geboren als Ingram Cecil Connnor III. Later werd hij bekend als Gram Parsons – de achternaam leende hij van zijn stiefvader. Hij groeide op in Georgia en Florida en maakte al vroeg in zijn leven een tragedie mee. Zijn biologische vader – ook een countrymuzikant – pleegde zelfmoord in 1958. Gram was erfgenaam, en door de voorzieningen die voor hem getroffen waren bezocht hij gedurende een korte periode de universiteit van Harvard. Als kind al identificeerde hij zich sterk met de muziek van de werkende klasse. Hij werd een fanatieke fan van zowel Elvis Presley als de verscheidene vormen van countrymuziek. Tussen 1963 en 1965 was hij de (muzikaal) leider van The Shilos, een folkrevival band. De groep trad op in New York, Chicago en Florida voordat het na een korte periode van activiteit uiteenviel. In 1965 richtte hij The International Submarine Band op. De groep had zijn basis in The Bronx in New York en speelde hoofdzakelijk rock, R&B en country. ‘Bijna niemand begreep ons’, was één van de opmerkingen die Gram Parsons later eens over deze periode maakte. Dit gegeven had waarschijnlijk te maken met het feit dat de mening van de diverse muzikale stijlen iets te veel inspanning van het luisterende publiek vroeg. In 1966 maakte de groep een aantal opnamen. Twee singles werden uitgebracht, maar ze hadden nauwelijks succes, ongeveer een album vol niet uitgebrachte songs bleven op de plank liggen. Later vertrok de groep naar Californië. Parsons claimde dat ‘de band niet meer in de kou wilde werden en wonen en dat ze graag in de buurt van Bakersfield hun uitvalsbasis wilden hebben zodat ze in de buurt van een aantal goede radiostations met countrymuziek zouden zitten’. The International Submarine Band vond spoedig werd in Hollywood, voornamelijk dankzij de acteur Peter Fonda. Hij regelde dat de band op mocht treden in The Trip, een film van Roger Corman. De leden van de band zijn wel degelijk in de film te zien, maar de producer heeft hun – door country geïnspireerde – muziek van de soundtrack verwijderd en het vervangen met de psychedelische rock van de groep Electric Flag. Gram Parsons en zijn groep toerden vervolgens in het gebied rond Los Angeles; meestal in het gezelschap van verschillende rockbands. The International Submarine Band draaide echter niet zo goed als de leden gehoopt hadden. Tegen het voorjaar van 1967 waren de spanningen in de groep zo hoog opgelopen dat twee van de oorspronkelijke leden van de band – drummer Mickey Gauvin en bassist Ian Dunlop – de groep verlieten en samen een carrière begonnen. Later werd dit The Flying Burrito Brothers. Deze band speelde R&B, western swing en rockabilly. Later zou Gram Parsons de naam van de band overnemen voor zijn eigen groep.
In de zomer van 1967 nam Gram Parsons samen met The International Submarine Band, nu met het originele lid John Nuese op lead gitaar, drummer John Corneal en bassist Chris Ethridge – twee nieuwe leden – twee nieuwe songs op voor het in Hollywood gevestigde LHI Records, het label van Lee Hazelwood. De beide songs waren: ‘Blue eyes’ en ‘Luxery liner’. In de maanden november en december van ’67 nam de groep voldoende materiaal op om een album te vullen – volgens sommige mensen het allereerste echte countryrock album. Safe at home werd met het standaard countryinstrumentarium volgespeeld maar had toch een soort onderliggend tegendraads hippie-gevoel. Om een wat meer authentiek geluid te krijgen deed Gram Parsons zijn uiterste best om twee door de wol geverfde sessiemuzikanten uit Nashville; Earl P. ‘Les’ Ball op piano en Jay Dee Maness op pedalsteel te krijgen. De opnamen op Safe at home werden gemaakt op een manier waar de producers in Los Angeles aan geven. Ze nemen alles op aparte tracks op en voegen op deze manier de definitieve opname van een song samen achter het mengpaneel. Parsons had in eerste instantie een hekel aan deze methode van werken. Hij prefereerde de manier zoals de producers in Nashville werkten; daar werden de opnamen van de band als een groep gemaakt en stond een en ander in één keer op de band. Het album is beslist niet perfect; er staan een paar covers op van bekende countrystandards dit beter hadden gekund. We kunnen de losse eindjes in ‘Miller’s cave’ en ‘I still miss someone’ maar beter vergeten. Safe at home heeft een paar prachtige momenten, in het bijzonder in de songs van Gram Parsons zelf. Toen het album in het voorjaar van 1968 uitgebracht werd ging deze gebeurtenis vrijwel onopgemerkt voorbij. Er was bijna niemand die het kocht…

In de eerste weken van ‘68 bevond Gram Parsons zich in het gezelschap van Roger McGuinn en Chris Hillman, beiden op dat moment lid van The Byrds, een behoorlijk innovatieve rockgroep. Hillman, die zijn toekomstige medebandlid toevalligerwijs in een bank in Beverly Hills had ontmoet, vroeg Parsons onmiddellijk auditie te doen. David Crosby had namelijk vlak daarvoor The Byrds verlaten. Hillman’s neef Kevin Kelley was ook net bij de band gekomen omdat men de drummer – Michael Clarke – ontslagen had. The Byrds hadden al eerder laten zien dat ze een interesse in countrymuziek hadden. Ze hadden in 1965 een cover van ‘Satisfied mind’ opgenomen, ze hadden in 1966 twee countryachtige nummers van Hillman opgenomen en in 1967 hadden ze een paar countrybewerkingen van Gerry Goffin – Carole King songs opgenomen. McGuinn en Hillman waren echter voornamelijk in Gram Parsons geïnteresseerd vanwege zijn capaciteiten op de keyboards, niet vanwege zijn kennis van countrymuziek. McGuinn had het plan opgevat om een soort conceptalbum uit te brengen met allerlei verscheidene soorten Amerikaanse muziek uit de 20e eeuw – folk, country, bluegrass, jazz, rock & roll en elektronische muziek – hij vond dat de band behoefte aan een goede toetsenist had.
Gram Parsons werd uitgenodigd om lid te worden van The Byrds. Hij nam de uitnodiging maar al te graag aan, want hij was ondertussen een beetje gefrustreerd geraakt vanwege het gebrek aan succes van The International Submarine Band. Zijn passie voor de countrymuziek sloeg uiteindelijk ook over op Chris Hillman. Samen overtuigden ze Roger McGuinn van het feit dat het verstandiger zou zijn om het project waar Gram Parsons eigenlijk voor ingehuurd was geheel te laten vervallen en in plaats daarvan een meer gespecialiseerd album te maken. Dit album werd uiteindelijk Sweetheart of the rodeo, een verzameling country standards en een aantal rock- en folksongs die met een countrysausje overgoten waren. Het album werd tussen maart en mei van 1968 in Nashville en Hollywood opgenomen.

Er stonden twee opmerkelijke (en tegenwoordig erg bekende) composities van Parsons op: ‘Hickory wind’ en ‘One hundred years from now’. Om een echte authentieke countrysound te garanderen werden een aantal beroemde sessiemuziekanten ingehuurd. De volgende grote namen waren onder andere te horen: Earl P. ‘Les’ Ball op piano; Jay Dee Maness op pedalsteel; John Hartford op banjo; Roy ‘Junior’ Huskey op bas; Lloyd Green op pedalsteel en Clarence White op gitaar. Terwijl the Byrds in Nashville waren om aan Sweetheart of the rodeo te werken regelde Columbia Records op 15 maart 1968 een optreden voor hen op The Grand Ole Opry. Hillman had het al een keer over in een interview in het blad Goldmine – het optreden op de Opry was geen onverdeeld succes voor de band. De mensen van de Opry reageerden een beetje paniekerig toen de band besloot ‘Hickory wind’ te spelen in plaats van het afgesproken nummer van Merle Haggard, bovendien spotte het publiek met de naam van de band door tijdens het optreden tot vervelens toe luidkeels ‘tweet, tweet’ te roepen…
Verschillende opmerkingen van Ralph Emery, toentertijd een toonaangevende DJ in Nashville, deden ook niet veel goed. Hij bekritiseerde The Byrds tijdens zijn radioprogramma. Bij wijze van een soort (zoete) wraak schreven McGuinn en Parsons samen het nummer een soort satirische valentijnssong voor Ralph Emery. De groep nam de song, compleet met jankende pedalsteel, op nadat Gram Parsons de band inmiddels had verlaten. Ze scoorden er een kleine hit mee in februari 1969 nadat de song als single uitgebracht was. De song kwam bovendien voor op Dr. Byrds and Mr. Hyde, een album waarop de band een duidelijk andere samenstelling had gekregen ten opzichte van Sweetheart of the rodeo. Parsons, Hillman en Kelley hadden inmiddels The Byrds verlaten. Roger McGuinn had hen vervangen door bassist John York, drummer-zanger Gene Parsons en de gitarist Clarence White. John York had met verschillende bands in Californië gespeeld en de andere twee heren werden overgenomen van de countryrockband Nashville West. De verandering in de samenstelling van de band was – naar verluidt – het resultaat van een machtsstrijd tijdens de opnames van Sweetheart of the rodeo. ‘Gram en Chris begonnen rond die tijd de band behoorlijk over te nemen’, zo herinnerde McGuinn zich later. ‘Dat gedoe met de countrymuziek… Het was zeker niet mijn idee, maar ik heb met hen meegedaan omdat het me een leuk avontuur leek. Uiteindelijk bleek het hun persoonlijk avontuur te zijn geworden. Ik heb begrepen dat ze op een gegeven moment van plan waren om mij de band uit te werken en me te vervangen door Sneaky Pete [Kleinow]. Hun scenario is uiteindelijk werkelijkheid geworden toen ze The Flying Burrito Brothers vormden’.
Ondanks het vele talent dat in de nieuwe samenstelling van The Byrds was samengebracht was Dr. Byrds and Mr. Hyde (opgenomen in oktober 1968 en uitgebracht in februari 1969) toch niet het succes dat men zou verwachten. Het album kreeg niet voldoende aandacht, waarschijnlijk omdat het een neit helemaal uitgebalanceerd project was. Terwijl Sweetheart of the rodeo naar een 77e plaats in de album hitparade steeg, bleef Dr. Byrds and Mr. Hyde hangen op een 153e plaats. Los van ‘Drugstore truck drivin’man’ was de algemene indruk van het album vrij zwak, hoewel één song, een bewerking van ‘Old blue’ in positieve zin opviel, het liet zien waartoe een gitarist als Clarence White in staat was. Clarence White en Gene Parsons hadden een elektronisch apparaat ontwikkeld waardoor het geluid van White’s telecaster elektrische gitaar als een pedalsteel klonk. Op het volgende album klonk de band als een stuk strakker. In de lente van 1969 werd Ballad of Easy Rider opgenomen. Verreweg het grootste gedeelte van het album klinkt als folkrock, maar er waren twee echte countrysongs. ‘Tulsa country’ en het van Vern Gosdin afkomstige ‘There must be somebody (I can turn to)’. Ballad of Easy Rider verkocht veel beter als de twee voorgaande albums van The Byrds. Het album steeg naar een 36e plaats in de album hitparade. Waarschijnlijk was het verkoopsucces van het album voor een belangrijk deel te danken aan het feit dat de titel van het album – althans gedeeltelijk – ook was gebruikt in de succesvolle film Easy Rider. Of dit ook de (opzettelijke) bedoeling van de makers van het album is geweest weten we niet.
Tegen de tijd dat The Byrds in augustus 1968 het album Sweetheart of the rodeo uitbrachten had Gram Parsons de groep inmiddels verlaten. In de maand juli van dat jaar weigerde hij met de groep op tournee naar Zuid-Afrika te gaan. Hij gaf publiekelijk aan dat hij het niet eens kon zijn met de apartheidspolitiek van dat land en dat hij vanwege het feit dat de band toch op tournee naar Zuid-Afrika ging de band zou gaan verlaten. Het is echter waarschijnlijker dat Gram Parsons de tournee naar Zuid-Afrika als een soort excuus heeft gebruikt om The Byrds te verlaten. Eerder al had hij gezegd dat hij graag ‘Cosmic American music’ wilde maken – hij gebruikte deze term liever als de inmiddels ingeburgerd geraakte term countryrock. Hij vond dit een te gelimiteerd begrip om de diverse stromingen waardoor hij beïnvloed werd in onder te brengen. Bovendien had Gram Parsons inmiddels ook in de gaten gekregen dat de muzikale ambities van Roger McGuinn niet helemaal met de zijne overeenkwamen.
Wat voor Gram Parsons uiteindelijk ook de werkelijke motivatie geweest is om als lid van The Byrds te stoppen, hij kwam er al snel achter dat zijn muzikale bijdrage voor Sweetheart of the rodeo inzet van een strijd tussen Columbia Records en LHI geworden was. Naar verluidt was Columbia – het label waar The Byrds voor werkten – bang geworden voor gerechtelijke stappen van LHI omdat ze gebruik van Gram Parsons gemaakt hadden. Strikt legaal gezien was het vertrek van Parsons bij LHI nog niet helemaal rond en daardoor zou LHI (eventueel) voor moeilijkheden kunnen zorgen. Columbia regelde dat Roger McGuinn de zang van Gram Parsons op verschillende songs van het nog te verschijnen album overdubde. Juristen van Columbia worstelden kort voor het verschijnen van Sweetheart of the rodeo nog met de juridische status van Parson’s positie bij The Byrds. Toen het album in de winkels lag was de stem van Gram Parsons op drie songs volledig door Roger McGuinn overgedubd en op verschillende andere songs was de stem van Parsons netjes weggepoetst. ‘Het resultaat hiervan was’, zo vertelde Gram Parsons een interviewer later, ‘was dat een te groot gedeelte van het originele geluid van the Byrds – het geluid waar we tegen gestreden hadden – op het album terecht kwam. Dit was behoorlijk jammer, omdat het veel tijd en inzet gekost had om zo ver te komen als we waren gekomen. We hadden als motto ‘Don’t look back’, zoals [Bob] Dylan dat zo mooi gezegd heeft. Sweetheart of de rodeo is een geweldig album dat eigenlijk beter niet opgenomen had moeten worden’. Gram Parsons weet veel van de tekortkomingen van het album aan Roger McGuinn. Hij vond bovendien dat McGuinn het brein achter de overdubactiviteiten van Columbia was. Bovendien vond hij de overgedubde songs van inferieure kwaliteit, vergeleken met zijn eigen materiaal.
Nadat hij in juli 1968 The Byrds had verlaten [onder andere] omdat hij vond dat de stilistische combinatie van country en rock niet optimaal was, vormde Gram Parsons The Flying Burrito Brothers, een nieuwe groep. Hij maakte daarbij – heel geraffineerd – gebruik van de naam die zijn oude makkers na zijn vertrek bedacht hadden. Hiermee is waarschijnlijk ook wel duidelijk dat zijn vertrek bij The Byrds niet helemaal zonder rimpels verlopen is. Chris Hillman volgde al spoedig. Hillman, die een aantal jaren country en bluegrass gespeeld voordat hij bij The Byrds was gekomen, gaf eens het volgende commentaar op de ontstane situatie: ‘Gram Parsons was de eerste persoon die ik tegenkwam sinds ik de country en de bluegrass voor de rock and roll ingeruild had die echt begreep wat countrymuziek was, hij begreep hoe het voelde en hoe het gespeeld moest worden’. Net als Parsons, was ook Chris Hillman niet tevreden over Sweetheart of the rodeo. Hij begreep ook niet waarom het album zo veel succesvol was, want ‘het is beslist niet mijn favoriete Byrds album’.
♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦
In de maand oktober was Chris Hillman, gefrustreerd door de onzekere toekomst van The Byrds, uit de groep gestapt en had hij aansluiting gezocht bij The Flying Burrito Brothers. In deze nieuwe groep kon hij zijn mogelijkheden als muzikant beter benutten en kon hij verder groeien in zijn mogelijkheden – hij was in staat om gitaar en mandoline te spelen omdat Gram Parsons Chris Ethridge, zijn vroegere collega uit The International Submarine Brand, gevraagd had te bassen. Bovendien zou Chris Hillman zich in zijn nieuwe rol meer met het schrijven van songs en zingen bezig kunnen houden.
Sterker nog, het werd van hem verwacht. ‘Sneaky’ Pete Kleinow [zijn bijnaam wordt soms als ‘Sneeky’ geschreven] kwam met zijn pedalsteel ook bij de The Flying Burrito Brothers werken. Sneaky’s manier van spelen, met veel gebruik van vervormingen was net zo essentieel voor het geluid van The Flying Burrito Brothers als het wat beverige stemgeluid van Chris Hillman.

Tegen het einde van 1968 en in het begin van 1969 namen The Flying Burrito Brothers het album The gilded palace of sin op voor A&M Records. Het album werd in maart 1969 uitgebracht en bevatte uitsluitend eigen werk dat inging op allerlei thema’s die leefden onder de jeugd van die tijd. Zo ging het nummer ‘My uncle’ over het ontduiken van de dienstplicht.
Een andere song, het sombere ‘Sin city’ ging over de duistere kant van de stad Los Angeles. Het ging in het bijzonder over aardbevingen en de moordaanslag op Robert F. Kennedy. Gram Parsons en Chris Hillman zongen de song een stijl die sterk leek op de broederduetten van bijvoorbeeld The Louvin Brothers of The Everly Brothers.
Ondanks het feit dat de leden van The Flying Burrito Brothers een grote liefde voor de meer traditionele countrymuziek hadden, beleefden ze ook veel plezier aan het onderuithalen van verscheidene heilige huisjes binnen de muziek. Een voorbeeld daarvan is de hoesfoto van The gilded palace of sin. De leden van de band dragen van die blitse pakken met rhinestones en glitters. Nudie – de traditionele maker van dit soort pakken – had voor hen de pakken anders versierd als voor veel van de artiesten uit die tijd. Daar waar de meeste pakken gedecoreerd waren met cactussen en dergelijke, waren de pakken van The Flying Burrito Brothers opgesmukt met marihuanabladeren en andere psychedelische symbolen uit die tijd.
Tegen het einde van 1969 brachten The Flying Burrito Brothers weer een album uit. Ze waren inmiddels uitgebreid met multi-instrumentalist Bernie Leadon en de drummer Michael Clarke. Voor dat Clarke bij de groep kwam hadden ze steeds van sessiedrummers gebruik gemaakt. Het nieuwe album, Burrito Deluxe, werd in de maand mei van 1970 uitgebracht op A&M Records. Het album rockte meer dan z’n voorganger, maar was duidelijk minder geïnspireerd, de meest opvallende track op het album van een versie van het Mick Jagger/Keith Richards nummer ‘Wild horses’. Het aardige was dat de versie van The Byrds een jaar eerder op de markt was als de versie van The Rolling Stones. The gilded palace of sin bracht het tot een 164e plaats op de album hitparade, Burrito Deluxe kwam helemaal niet voor in deze lijst omdat de verkoopaantallen te laag waren. Parsons had inmiddels solo-ambities gekregen en verliet de groep. Ondanks talrijke wisselingen in de bezetting wisten The Flying Burrito Brothers zich nog jaren als een invloedrijke countryrockband staande te houden.
♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦
Een meer onbekende naam in de opkomst van de countryrock is Gene Clark, medeoprichter van The Byrds. Tot het einde van 1965 was hij bovendien de belangrijkste songwriter binnen de groep. In het begin van 1966 verliet Gene Clark The Byrds omdat hij niet langer tegen de druk van het reizen en het bekend zijn kon, hij verwoorde deze gevoelens in zijn laatste tekstuele bijdrage voor de groep in een song onder de titel ‘Eight miles high’. Eindelijk bevrijd van allerlei beperkingen werkte hij aan zijn solocarrière. Zijn oudere songs hadden allerlei kenmerken van de folkrevival en de rock van Dylan en The Beatles, maar de songs die hij voor zichzelf schreef getuigden van zijn liefde voor de countrymuziek. Terwijl hij opgroeide had hij veel naar The Grand Ole Opry en Hank Williams Sr. geluisterd…
Tegen het einde van 1966 meldde Gene Clark zich in de opnamestudio om er zijn eerste soloalbum op te nemen. Onder de musici bevonden zich ook zijn goede vrienden Hillman en Clarke [let op de extra e]. Bovendien waren er nog enkele gerenommeerde namen van de partij: Clarence White, Glen Campbell en Leon Russell. Dit waren allemaal musici die dol op country- en bluegrassmuziek waren, maar de musici waardoor het album het meest beïnvloed zou worden waren Vern en Rex Gosdin. Dit waren de mannen die de toch wat psychedelische sentimenten van de songteksten van Gene Clark met messcherpe vocale arrangementen wisten te vertolken. De bijdrage van de gebroeders Gosdin werd zo belangrijk geacht dat Gene Clark’s eerste soloalbum verscheen onder de titel Gene Clark with the Gosdin Brothers.

De belangrijkste muzikale samenwerking die Gene Clark tijdens het uitbrengen van zijn eerste soloproject ontwikkelde was de samenwerking met Doug Dillard een banjoïst die vreemd genoeg maar op één van de songs van het album voor kwam. Het eigenaardige was dat Doug Dillard elektrische gitaar speelde in plaats van banjo. Hij zou echter een belangrijke rol op de volgende paar albums van Clark hebben.
Ondanks het geheel eigen geluid van Gene Clark werd het album met betrekkelijk weinig enthousiasme ontvangen. Hier waren een aantal redenen voor aan te voeren. Ten eerste bracht Columbia [ook Clark’s label] het album uit in dezelfde week van februari ’67 dat The Byrds hun 4e album Younger than yesterday uit. Bovendien was geen enkele manier om aan het publiek duidelijk te maken dat er een belangwekkend album uitgebracht zou gaan worden – het blad Rolling Stone werd pas later dat jaar opgericht. Bovenal bevatte het album geen single met hitpotentie. Na het commerciële falen van Gene Clark with the Gosdin Brothers werkte Gene Clark nog een tijd aan een volgend album voor Columbia dat iets commerciëler zou moeten gaan klinken. Het project werd echter in september 1967 in de koelkast gezet.
In oktober 1967 ging Gene Clark weer – voor een korte periode – bij The Byrds werken. Deze groep had David Crosby ontslagen omdat ze zich realiseerden dat hij emotioneel niet sterk genoeg was om de spanningen die het toeren met zich mee bracht te kunnen dragen. Clark stopte echter al na enkele weken. Hij was gefrustreerd over de muzikale richting van zijn carrière. De frustraties bereikten een voorlopig hoogtepunt in het begin van 1968 toen Larry Marks, de producer van zijn eerste opnamen, hem een nieuw [solo]contract aanbood. Marks was van Columbia naar A&M Records verhuisd. Clark nam, met de hulp van Larry Marks, twee album op voor A&M die een perfectie symbiose van moderne teksten, inventieve instrumentatie was. De muziek op de beide albums was een combinatie van country, bluegrass, folk en rock.
Uiteindelijk bleek dat de beide albums geen soloprojecten waren. Gene Clark was een man die liever een soort muzikale samenwerking aanging dan allerlei soloprojecten van de grond probeerde te krijgen. Tijdens de zomer van 1968 begon hij samen te werken met Doug Dillard; de samenwerking werd bekend onder de naam The Dillard & Clark Expedition. ‘Het was de ervaring die Doug Dillard opgedaan had bij The Byrds [Dilard had meegewerkt aan de Europese Sweetheart of the rodeo tournee] die er toe geleid heeft dat we gezamenlijk The Dillard & Clark Expedition opgericht hebben’, zei Gene Clark in een interview in het begin van de jaren zeventig. ‘Doug Dillard en ik konden meteen geweldig goed met elkaar overweg en we hadden allebei ongeveer dezelfde ideeën over de modernere aanpak van de bluegrass- en de folkmuziek. Tot dat moment was er eigenlijk niemand die op die manier et de muziek bezig was’. Achteraf gezien is het wat wonderlijk dat ze de muziek waar ze mee bezig waren geen countryrock noemden, dat terwijl de muziek die ze gemaakt hebben van enorme betekenis was in de ontwikkeling van de countryrock. De samenwerking tussen Doug Dillard en Gene Clark was net zo veel beïnvloed door de country als door rock, net zo veel door bluegrass als door folk, waarschijnlijk is een deel van de fascinatie van Gene Clark te verklaren door het feit dat zijn professionele ervaring als muzikant opgedaan werd als een folkie bij The New Christy Minstrels, een band die in de tijd van de folkrevival vrij populair was.
Doug Dillard’s eerste ervaringen als muzikant was als banjoïst bij The Dillards. Toen Gene Clark de bovenstaande opmerkingen maakte, werd de term countryrock nog niet algemeen gebruikt, hij probeerde de nieuwe muziekstroming zo goed mogelijk te beschrijven, en hij gebruikte terminologie die de muziek die hij samen met Doug Dillard maakte goed dekte.
♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦
In The Dillard & Clark Expedition treffen we ook Bernie Leadon aan, hij was eerder al lid geweest van Hearts and flowers, een uit Los Angeles afkomstige countryrock band. Later was hij ook onderdeel van The Flying Burrito Brothers en een van de oprichters van The Eagles [Bernie Leadon en Gene Clark schreven samen het meeste Dillard & Clark materiaal]. Het mooie strakke geluid van zowel de vocalen als de instrumentatie, zoals dat bijvoorbeeld te horen was op het album The fantastic expedition of Dillard and Clark, was het gevolg van talloze sessies in de zomer van 1968 bij Doug Dillard thuis in Los Angeles. Toen het album in oktober ’68 in de winkels lag waren de recensenten behoorlijk goed tevreden – de verkopen van het album vielen echter tegen. Hun 2e album, met de mooie titel Through the morning, through the night, dat in oktober 1969 uitgebracht werd, kreeg nog minder aandacht. In de zomer van dat jaar hadden er een paar personele wijzigingen in de band plaatsgevonden.

Het gevolg was dat ze wat betreft prestatie niet meer op hetzelfde niveau zaten en bovendien een beroep op sessiemuzikanten moesten doen om het 2e album uit te kunnen brengen – ze hadden hun muzikale onafhankelijkheid verloren. De muziek was wat gladder en meer gepolijst dan op het eerste album dat erg spontaan klonk. Ondanks deze kritische noten bevatte het 2e album waarschijnlijk de beste song die Gene Clark tot dat moment geschreven had. ‘Kansas City southern’ ging hoofdzakelijke over treinen en was een terugblik op allerlei jeugdherinneringen. In het bijzonder de pedalsteel van Sneaky Pete Kleinow [die ze van The Flying Burrito Brothers geleend hadden] maakte veel indruk.
Gene Clark realiseerde zich inmiddels dat de muzikale samenwerking die hij met Doug Dillard had uitgeput was. Hij verliet de groep en werkte verder aan zijn solocarrière – hij zou in de daaropvolgende jaren als singer/songwriter aan aantal indrukwekkende producten afleveren. Tegenwoordig wordt er nauwelijks nog aandacht aan de oude opnamen van Dillard & Clark besteed, maar in 1991 kwam het er dan toch van. Don Negri schreef toen: ‘De beide albums [van Dillard & Clark] hebben een fris en authentiek countryrock geluid. Vergeleken met het geluid van Dillard & Clark is Sweetheart of the rodeo van The Byrds lachwekkend oppervlakkig en kunstmatig’.
♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦

Behalve het contracteren van The Flying Burrito Brothers en The Dillard & Clark Expedition bracht A&M Records ook het eerste soloalbum van een andere belangrijke countryrock artiest uit. We hebben het dan over Steve Young. Steve groeide op in de steden en op het platteland van Georgia, Alabama en Texas. Al tijdens zijn kinderjaren werd duidelijk dat hij talent had voor het schrijven [en zingen]. In 1963 reisde hij naar Californië, waar hij in de omgeving van Los Angeles musiceerde met verschillende mensen die actief waren geworden tijdens de folkrevival van die tijd. Volgens eigen zeggen is hij een muzikale einzelgänger en purist, en in een recent interview zei hij: ‘veel van de zogenaamde folkmuziek uit die tijd was commercieel en stelde niet zo veel voor. De andere jonge musici die ik op straat ontmoette waren veel competitiever ingesteld als ik in die tijd was. Ze wilden scoren, en waren bereid om allerlei concessies te doen om het beoogde succes te bereiken. Ik had respect voor hun talent, maar ik had lang niet altijd respect voor de manier waarop ze carrière in de muziek probeerden te maken. Op dat moment had ik geen idee over de historische betekenis van de muzikale ontwikkelingen die zich op dat moment in Los Angeles afspeelden. Ik was daar in Los Angeles getuige van de eerste kruisingen tussen country en folk met rock ‘n’ roll – hoewel ik op mijn geheel eigen non-competitieve manier toch ook weer aan de rand van al deze ontwikkelingen stond’.
Tegen het begin van 1968 was Steve Young lid geworden van Stone Country, een folkrock groep die een album onder dezelfde titel opnam voor RCA Records. Commercieel gezien was het album een flop. Young, die zich herinnert dat de leden van de band de ambitie hadden om op een enorme manier carrière in de muziek te maken en groot commercieel succes te hebben – hij was er fel tegen – moest veel strijd leveren om een cover van George Jones’ ‘Why, baby, why’ op het album te krijgen. Stone Country viel spoedig na het geflopte project uiteen, maar de bijdrage die Steve Young aan het project leverde mag niet uit het oog worden verloren. De sterke songs en de indrukwekkende zang van Steve Young trokken de aandacht van de managers van A&M Records. Tegen het einde van dat zelfde jaar stond hij in de studio een soloalbum voor A&M op te nemen onder de titel Rock salt and nails.
Steve Young had zich van de medewerking van een aantal geweldige musici verzekerd, zoals onder andere Gram Parsons, Gene Clark en James Burton. Op Rock salt and nails stonden naast een aantal bewerkingen van klassieke countrysongs, en een aantal teksten van hem zelf ook teksten van bekende tekstschrijvers uit die periode.
‘Toen we het album af hadden’, herinnert Steve Young zich, ‘namen we het mee naar de kantoren van A&M. We waren er van overtuigd dat ze het een helemaal te gek product vonden, maar ze wisten niet in welk vakje ze het moesten plaatsen. Eerlijk gezegd, wisten ze er zich geen raad mee. Ze gaven ook toe dat ze niet wisten wat ze er mee aan moesten. Ze zeiden: ‘dit is countrymuziek!’. Het hele pakket werd naar Nashville gestuurd, maar in Nashville werd gezegd: ‘dit is absoluut geen countrymuziek!’. Wij weten ook niet wat het wel is… A&M had grote problemen met de marketing van het album. Onze producer – Tommy Lipuma – had wel geloof in het project. Hij was van plan om een groot billboard te maken en het album op die manier op een prominente plaats [Sunset Strip] in Los Angeles te adverteren. Hij wist zich geen raad vanwege de ogenschijnlijke onverschilligheid van de mensen van A&M Records’. Steve Young bleef een wat marginale figuur in de trendy muziekscene van Los Angeles; collegae waren echter zeer enthousiast over zijn songwriterskwaliteiten en over zijn uitgebreide kennis van de muziek uit de zuidelijke staten van de Verenigde Staten. Dat hij inderdaad over veel talent beschikt blijkt wel uit het feit dat één van zijn songs, ‘Seven bridges road’ een hit voor The Eagles is geworden…
♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦
Eén van de artiesten die als een van de eersten probeerde om country en rock samen te voegen – Rick Nelson – heeft nooit de erkenning gekregen die hem eigenlijk toekwam. In 1963, na een paar dozijn top-40 hits voor het Imperial label, tekende Nelson een contract met Decca Records. De eerste paar opnamen voor Decca deden het goed, maar daarna ging het wat minder en kon hij de top-40 niet meer bereiken. Hij was het slachtoffer van de Britse invasie [onder andere The Beatles en The Rolling Stones] geworden. Rick Nelson was nog maar net twintig, maar hij was het leven als tienerster inmiddels behoorlijk zat geworden. Hij was iemand die was opgegroeid met televisieseries als The adventures of Ozzie and Harriet, iets wat ver van zijn status als tieneridool af stond. Hij probeerde onder de – zeer succesvolle – combinatie van pop en rockabilly uit te komen en een nieuwe muzikale koers uit te zetten. In de maand februari van 1966 stond hij in de studio’s van Decca opnamen te maken voor het album Bright lights & country music.
Het is waarschijnlijk het eerste album geweest waarop een artiest de mogelijkheden van de country vanuit een rock perspectief onderzocht. Nelson had zijn eigen bewerkingen opgenomen van een aantal country klassiekers zoals ‘Truck driving man’, ‘Louisiana man’ en ‘Hello walls’. Het album kwam helaas niet in de hitparade terecht, maar veel radiopresentatoren reageerden enthousiast. Mede dankzij deze radiopresentatoren bracht Decca een tweede album van Rick Nelson op de markt. In maart 1967 werd County fever opgenomen. Inmiddels had zich ook de gitarist-dobroist James Burton bij de band gevoegd. In de maand juni van dat jaar kwam ‘Take a city bride’ op de 58e plaats te staan. Rick Nelson benadrukte ondertussen tegen de media dat zijn voorliefde voor de countrymuziek niet van voorbijgaande aard was. ‘Ik heb al zo lang als ik het mij herinneren kan van countrymuziek gehouden, ik ben mijn hele leven al een fan van mensen als Johnny Cash en Jim Reeves. De meeste van mijn vroege opnamen waren sowieso deels country’.
Uiteindelijk had Nelson in zowel de markt voor de popmuziek als de markt voor de countrymuziek amper succes met zijn covers. Een aantal musici uit Los Angeles bleken echter wel in hem geïnteresseerd te zijn – steeds vaker werden ze bij zijn optredens gesignaleerd. In het bijzonder in The Troubadour, een van de clubs waar hij vaak optrad. In 1969 – waarschijnlijk geïnspireerd door Bob Dylan’s plotselinge liefde voor Nashville – vormde Nelson een nieuwe band, The Stone Canyon Band. De band bestond uit de beste musici die de countryrock tot dat moment voortgebracht had. Er was bijvoorbeeld Randy Meisner (uiteindelijk een van de oprichters van The Eagles) was bassist van de groep. Hij stapte uit Poco, een van de commercieel wat meer verantwoorde countryrockbands, om bij The Stone Canyon Band te kunnen spelen. In het begin van 1970 had Rick Nelson een klein hitje. Zijn versie van Bob Dylan’s ‘She belongs to me’ bereikte een 33e plaats op de poplijsten. Eén van zijn albums, Rick Nelson in Concert, bereikte ongeveer gelijktijdig een 54e plaats in de albumlijsten. Het album was live opgenomen in The Troubadour.

Toen hij zijn laatste grote hit had, het zelfgeschreven: ‘Garden party’ uit 1972 steeg naar een 6e plaats, stelde Rick Nelson dat alhoewel hij een groot gedeelte van zijn oorspronkelijke fans was verloren dat de reden daarvoor waarschijnlijk gelegen was in het feit dat hij over de loop van de jaren zijn muzikale identiteit veranderd had.
♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦
Er waren nog twee [grote] namen die ook in de jaren vijftig waren begonnen en in de jaren zestig carrière maakten door een mengvorm te spelen van country en rock and roll. We denken aan The Everly Brothers en Johnny Cash. Don en Phil Everly hadden behoorlijk veel succes aan het einde van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig. Zelfs toen ze op het toppunt van hun roem waren, bleven The Everly Brothers nog steeds geïnteresseerd in de muziek van hun ouders – mensen die hun boterham met countrymuziek probeerden te verdienen. The Everly Brothers staken hun liefde voor de countrymuziek niet onder stoelen of banken en bewezen dit door drie albums met country getint materiaal uit te brengen. De eerste, Songs our daddy taught us (uit 1958), werd voor Cadence Records opgenomen toen ze echt op het toppunt van hun roem waren. Commercieel gezien was het een riskante zet van een op zich al zeer beroemd duo, maar ondanks dat bleek het een zeer invloedrijk album te zijn [geworden].

Nadat ze in 1960 van label waren veranderd – ze verhuisden naar Warner Brothers – en nog een paar hits werden ze al snel minder interessant voor het grote publiek. Ondanks dat waren een album uit 1963, Great country hits, en een album uit 1968 met de titel Roots samen met Songs our daddy taught us bijzonder invloedrijk voor een nieuwe generatie musici – vreemd genoeg waren hier de mensen bij die later weer erg actief zouden worden in allerlei groepen als The Byrds en The Flying Burrito Brothers. Maar ook Linda Ronstadt herinnerde de drie eerdergenoemde albums van the Everly Brothers maar al te goed. De critici waren uitzonderlijk goed te spreken over Roots, dat in de zomermaanden van 1968 opgenomen was. Het was een bijzondere productie. Men had voor een soort documentaire-achtige aanpak gekozen en oude radio-opnamen van de beide heren afgewisseld met nieuwe versies van traditionele songs en songs van klassieke songwriters als Jimmie Rodgers en Merle Haggard. De kennis die de beide broers van de countrymuziek hadden, samen met hun vrijwel voortdurende aanwezigheid in Los Angeles in de jaren zestig (ze waren in het begin van de jaren zestig verhuisd) zorgden ervoor dat ze van beslissende invloed waren in de beginjaren van de countryrock.
Ze weigerden echter om met de trend van de rock and rollers mee te gaan, een trend die ingezet was door mensen als Conway Twitty en Jerry Lee Lewis. Deze twee heren voegden zich in de jaren zestig steeds meer naar de manieren van Nashville en vonden zichzelf opnieuw uit als volwaardige countryartiesten. Rick Nelson en The Everly Brothers hebben deze kans waarschijnlijk laten schieten – ze hadden meer commercieel succes kunnen hebben als ze gehad hebben. Ze zorgen er echter wel voor dat hun status bij collega musici hoger werd omdat ze de kans op commercieel succes lieten schieten om een ‘puurdere’, meer persoonlijke soort muziek te kunnen maken. Er begon binnen de tegencultuur een generatie musici op te staan die de muziek uit Nashville als iets fabrieksmatigs beschouwden, ze beschouwden het als de volstrekte tegenpolen van authenticiteit en individualiteit.

Johnny Cash was in de jaren zestig één van de artiesten die zowel het respect van de artiesten uit de tegencultuur als de steun van de muziekfabrieken uit Nashville genoot. Hij had gedurende de jaren vijftig en de jaren zestig bewezen in staat te zijn hits te scoren in zowel de pop- als de countrylijsten. Het lukte hem om twee van zijn LP’s uit de jaren zestig aan de top van de poplijst te krijgen. Johnny Cash at Folsom Prison bereikte een 13e plaats in juni 1968 en Johnny Cash at San Quentin bereikte een 1e plaats in 1969. Talloze countryrockers namen songs van Johnny Cash op in hun repertoire en Johnny Cash werd een soort mentor voor Bob Dylan. Het lukte Johnny Cash, meer dan enig andere artiest om de kloof tussen de countrymuziek voor het grote publiek en de tegencultuur te overbruggen.
♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦
Hoewel zijn roem hoofdzakelijk gebaseerd is op zijn werk als folk- en rockidool, was Bob Dylan toch uiterst belangrijk in de opkomst van de countryrock, hoofdzakelijk vanwege twee indrukwekkende albums die in de 2e helft van de jaren zestig in Nashville opgenomen werden. De eerste van deze twee albums, het dubbelalbum Blonde on blonde, was hoofdzakelijk een in Nashville opgenomen rock-album. Bob Dylan vertelde later eens aan een interviewer dat hij de strakke maar toch losse manier van spelen uit de Nashville Sound vast probeerde te leggen.

Ondanks het feit dat er allerlei sessiemuzikanten uit Nashville aan Blonde on blonde meewerkten bleef het een rockalbum – uiteindelijk bereikte het album in mei 1966 een 9e plaats op de nationale LP-lijsten. Dylan’s volgende album bevatte duidelijk meer elementen uit de countrymuziek. Ondanks het feit dat de songs op John Wesley Harding (in Nashville opgenomen in oktober 1967 en na de kerst van dat jaar uitgebracht) tekstueel gezien te persoonlijk waren om als countrymateriaal beschouwd te worden – ze weerspiegelden Dylan’s geestelijke zoektocht naar antwoorden na zijn motorongeluk in juli 1966 – was het album qua instrumentatie toch een puur countryalbum. Een drietal sessiemuzikanten werkte mee: Charlie McCoy op bas, Kenny Buttrey op drums en Pete Drake op pedalsteel zorgden ervoor dat het album pure country soul werd. Het minimalistische geluid van John Wesley Harding was Dylan’s reactie op de toenemende geliktheid van de rockproducties van die tijd. Een typisch voorbeeld hiervan is Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band van The Beatles uit juni 1967.
Bob Dylan vertelde eens dat de instrumentatie op John Wesley harding ‘muzikaal gezien het enige was dat ik bedenken kon. Het was het beste wat ik op dat moment had kunnen doen. Het was niet de vooropgezette bedoeling dat het album een wat weemoedige klank kreeg. Ik zou graag een wat muzikaler album gehad hebben, met meer piano, meer steelgitaar – gewoon meer muziek! Erg veel mensen waren in die tijd met elektronica in de weer, ook in de muziek. Ik had – en heb nog steeds – geen verstand van de toepassingen van elektronica in de muziek. In die tijd wist ik ook niemand te bedenken die wel verstand van dit soort zaken had’. De laatste song op John Wesley Harding was een soort voorbode van de muziek die ons nog te wachten zou staan – ‘I’ll be your baby tonight’ was een mooie simpele ballade met een prachtige melodie, door Dylan gezongen tegen de achtergrond van een steelgitaar. Omdat de song zo toegankelijk was, werd het ontzettend veel op de radio gedraaid, meer dan de andere songs van het album. Een andere song van dit album, ‘All along the watchtower’, werd in de uitvoering van Jimi Hendrix een echte rockklassieker. Bij ons in Nederland is indertijd zelfs een televisieprogramma naar deze song genoemd.
John Wesley Harding werd een van de meest populaire albums van Bob Dylan. Het steeg naar een 2e plaats in de hitparade – ook vormde het album geen bedreiging voor de positie die Bob Dylan in de woelige jaren zestig in de opkomende countryrock scène bezat. Zijn volgende album deed echter veel meer stof opwaaien. Het werd tegen het einde van 1968 in Nashville opgenomen en in de maand april van het daaropvolgende jaar uitgebracht. Nashville skyline is ‘t enige echte countryrock album dat Bob Dylan gemaakt heeft. Globaal was het dezelfde bezetting als op John Wesley Harding, er deden echter een paar extra sessiemuzikanten mee om een wat voller beluid te bereiken. Nashville skyline ontstond tijdens een bezoek van Bob Dylan aan Nashville. Hij was naar de stad gekomen om enige tijd in de studio door te kunnen brengen en had vier songs op zak – hij was echter niet van plan om een album op te nemen. Johnny Cash stond echter op een onverwacht moment op de stoep en dit bezoek inspireerde de zanger tot het schrijven van meer songs met een countryachtige inslag.

Er werd besloten de gehele cyclus als een album op te nemen. Dylan en Cash namen zelfs een spontaan opgenomen duet op. Dylan’s uit 1963 afkomstige ‘Girl from the north country’ werd als duet het middelpunt van het nieuwe album. De nieuwe songs waren een poging van Bob Dylan om, muzikaal zowel als tekstueel, de essentie van het min of meer fabrieksmatige schrijven van commerciële countrysongs in Nashville te benaderen. De heldere en simpele opbouw van veel van deze songs heeft waarschijnlijk op een bepaald moment zijn bewondering afgedwongen.
Sommige van zijn pogingen waren echter succesvoller dan anderen – Bob Dylan heeft lange tijd geweigerd om überhaupt materiaal van dit album te spelen. De 7e song op het album, ‘Lay lady lay’ werd een hit. Een andere kwaliteit van het album was de warme klank in de stem van Bob Dylan, de rustige en relaxte manier waarop veel van het materiaal gezongen werd. De reden was overigens duidelijk. Tijdens zijn periode van bezinning na het ernstige motorongeluk in 1966 was Bob Dylan tijdelijk gestopt met roken.
Nashville skyline was een populair album bij talloze countryrock fans, en de goedkeuring die Johnny Cash aan de muziek gegeven had – door de hoestekst te schrijven en mee te werken. Bovendien zorgde hij er voor dat Bob Dylan in de eerste uitzending van zijn televisieprogramma, dat op 1 mei 1969 in het Ryman Auditorium opgenomen was te gast was. Al deze gegevens zorgden ervoor dat ook de nodige countryfans het album aanschaften. Uiteindelijk bereikte het album een 3e plaats op de nationale albumhitparade. Ondanks het feit dat het album betrekkelijk succesvol was, waren een groot aantal van Dylan’s vaste fans en een aantal critici ontdaan over het feit dat hun idool zich ingelaten had met de steeds populairder wordende countryrock – het werd als een soort overspel gezien. Dylan bleef, zoals gewoonlijk, stoïcijns onder de kritiek. Hij zei alleen ‘There’s no attempt there to reach anybody but me’.
Dylan’s voormalige begeleiders, Richard Manuel, Levon Helm, Rick Danko, Garth Hudson en Robbie Robertson, beter bekend als The Band, behoren niet onvermeld te blijven in dit overzicht. De groep, die bestond uit vier Canadezen en één Amerikaan, namen elementen uit de countrymuziek op in hun veelgeprezen albums Music from big pink uit 1968 – met daarop een mooie versie van Lefty Frizzell’s hit ‘Long black veil’ – en het meesterwerk van de groep uit 1969 dat simpelweg onder de titel The Band uitgebracht werd.

♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦
Twee andere groepen hebben ook een grote bijdrage aan de opkomst van de countryrock geleverd. We denken dan aan The Dillards en Poco. Beide groepen hadden weinig zaken gemeenschappelijk – zeker de muziek niet, behalve dat ze allebei hun basis hadden in Los Angeles, terwijl de musici uit andere staten afkomstig waren. Beide groepen waren een soort muzikale communes (geen van beiden hadden ze een duidelijke voorman). Beide groepen maakten een aantal van de gedenkwaardigste countryrock opnamen uit de laat jaren zestig.
In de herfst van 1962 kwamen de originele leden van The Dillards – Rodney Dillard, Doug Dillard, Mitchell Jayne en Dean Webb – vanuit Missouri naar Californië om daar een carrière in de muziek op te bouwen. Dit was een bijzondere taak, want de heren waren gewend bluegrass te spelen. In het begin van de jaren zestig was dit een behoorlijk jong genre in deze staat. Dat The Dillards in hun missie slaagden was vanwege een aantal redenen. Ze waren alle vier instrumentele virtuozen, ze waren goede zangers en hadden hun partijen op een goede manier verdeeld, ze hadden een grappige manier van zichzelf op het podium te presenteren, en waarschijnlijk het belangrijkste was dat ze een zeer divers repertoire hadden. Hun repertoire reikte van oude folksongs, gedenkwaardig eigen materiaal en bluegrass bewerkingen van popsongs uit die periode – ze waren de eerste groep die een bluegrasscover van een Bob Dylan song opnamen. Binnen de kortste keren hadden ze een contract bij het folk-revival label Elektra. Bovendien waren ze regelmatig op de televisie te bewonderen in verschillende afleveringen van The Andy Griffith Show.
Tegen het einde van de jaren zestig hadden The Dillards inmiddels drie progressieve bluegrass albums op hun naam staan. De eerste personeelswisselingen dienden zich echter ook aan: de banjoist Doug Dillard verliet de groep en werd vervangen door de als zeer flexibel bekendstaande Herb Pedersen. De talenten van Pedersen reikten van het schrijven van songs, het bespelen van de banjo, tot zingen en zangpartijen arrangeren. Herb Pedersen was toen al een groot fan van countrymuziek – in het midden van de jaren zestig had hij als sessiemuzikant in Nashville gewerkt. In 1968, in de nieuwe samenstelling, werd het album Wheatstraw Suite uitgebracht, inmiddels hun 4e album voor Elektra. Het album duidde aan dat de muzikale richting van de groep aan het veranderen was. De groep had nog steeds het fundament in de folk- en bluegrassmuziek, maar er werden typisch jaren zestig Nashville elementen aan de muziek toegevoegd zoals pedal steel, een country manier van drummen en een vollere orkestratie. Bovendien werden elementen uit de popmuziek gebruikt zoals het multi-track opnemen en de gelaagde vocalen. Een tweede album in dezelfde stijl, Copperfields, werd in 1970 uitgebracht. Het maakte hun reputatie als een vooruitstrevende country(rock) band alleen maar sterker.

Twee voormalige leden van Buffalo Springfield – Richie Furay en Jim Messina – richtten in augustus 1968 in Los Angeles de groep Poco op. Net als The Flying Burrito Brothers leunde ook Poco zwaar op het geluid van de pedal steelgitaar. Het was zelfs zo dat Poco’s steel gitarist, Rusty Young, er de voorkeur aan had gegeven om bij Furay’s en Messina’s groep te spelen dan bij Gram Parson’s groep. De drie oprichters van Poco werkten voor het eerst samen tijdens de opnamen van Last time around, het laatste album van Buffalo Springfield. De groep was al bezig uiteen te vallen en Furay en Messina waren de enige aanwezigen die in staat waren de laatste song op het album, Furay’s ‘Kind woman’ af te maken. Ze wilden een pedal steel op de opname hebben. Furay belde op aanraden van een goede vriend met Rusty Young, die op dat moment in Denver werkte. Last time around werd uitgebracht in juli 1968 en was Buffalo Springfield’s laatste – en meest succesvolle – album. Het album steeg naar een 43e plaats in de lijsten. Veel luisteraars vonden ‘Kind woman’ de fraaiste song op het album. Het was dan ook niet bijzonder dat Furay, Messina en Young probeerden samen verder te werken, ze konden dan meer van dit soort muziek proberen te maken. Ze zochten nog twee andere musici, drummer-zanger George Grantham en bassist-zanger Randy Meisner, en vormden de groep Poco.

Het debuutalbum, Pickin’ up the pieces, werd in het begin van 1969 voor Epic opgenomen. Nu, ruim 20 jaar nadat het album is uitgekomen, kan Richie Furay terugkijken op de eerste productie van de groep Poco. ‘Natuurlijk was het een vooruitstrevend album. Ik denk dat het meest belangrijke uit die periode was dat we een prachtige countrysound in de band hadden. We pionierden een beetje met de countryrock, en met de introductie van de steelgitaar, de hoge harmonieën en dergelijke. We waren niet echt een country-folk band, maar we waren wel allemaal dol op die muziek. Onze muziek had veel energie, en ik denk dat dat een van de dingen is waarom de mensen Poco nog steeds niet vergeten zijn. Wij hadden een concept ontwikkeld voor het totale geluid van de band. Jimmy en ik wisten precies hoe we moesten klinken, en dat was het geluid waar we tijdens de opnamen voor gewerkt hebben’.
Pickin’ up the pieces had een compacter geluid dan veel andere countryrock producties uit die tijd, een opmerkelijke prestatie als je het feit in ogenschouw neemt dat Randy Meisner de groep al in het begin – toen men net met het album begonnen was – verliet en daarmee de vier overgebleven musici dwong zijn inbreng te leveren. Het album verkocht behoorlijk goed toen het tegen het einde van de lente in 1969 uitgebracht werd (het bereikte een 63e plaats), waren de leden van Poco toch een beetje gefrustreerd. ‘Die plaat’, aldus Furay, ‘kreeg niet de aandacht die het eigenlijk verdiende en die we hoopten dat het krijgen zou. Ons werd verteld dat we te country voor de rockmuziek waren en te rock voor de countrymuziek. Wat waren we eigenlijk? We wisten het op dat moment ook niet meer. We besloten toen dat we met het 2e album wat duidelijke positie zouden kiezen – we zouden wat beter ons best doen om bij de ene of de andere categorie te horen’. Het tweede album van de groep werd onder de titel Poco uitgebracht in de maand mei van 1970, en was commercieel gezien iets succesvoller (het steeg naar een 58e plaats), maar tegelijk was het voor de liefhebbers te gepolijst geworden en daardoor minder interessant. Poco zou een van de bekendste countryrock groepen uit de jaren zeventig worden, maar niet een van de volgende albums van de groep bereikte de originaliteit van Pickin’ up the pieces.
♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦
Tegen het einde van de jaren zestig waren er rond San Francisco verschillende andere groepen die een (belangrijke) bijdrage aan de opkomst van de countryrock hebben geleverd. Commercieel gezien was Creedance Clearwater Revival de meest succesvolle. De groep werd geleid door John Fogerty, een liefhebber van alle vormen van zuidelijke muziek, waaronder ook country. In 1969 en 1970 nam Creedance Clearwater Revival op verschillende albums door John Fogerty geschreven ‘country’ songs op, waaronder ‘Lodi’, ‘Don’t look now (It ain’t you or me)’, en ‘Lookin’ out my back door’.

De laatste van deze drie songs was de meest succesvolle en bereikte een 2e plaats in de zomer van 1970. De song bevatte een slimme referentie aan Buck Owens en maakte daardoor het luisteren naar country tot een wat meer geaccepteerde bezigheid. John Fogerty toch al hevige interesse in countrymuziek nam alleen maar toe nadat Creedance Clearwater Revival uiteengevallen was. Het inspireerde hem om na het uiteenvallen in 1973 The Blue Ridge Rangers, een volledig countryalbum op te nemen
Alhoewel de groep hun basis in San Fransisco had, bestond het Sir Douglas Quintet volledig uit Texanen. De leider van de groep, de ondertussen overleden Doug Sahm, verzekerde iedereen dat ook country deel van hun bijzondere repertoire uitmaakte. Het Sir Douglas Quintet had in 1970 een klein countryhitje met het door Doug Sahm geschreven: ‘Be real’, dat hij onder het pseudoniem Wayne Douglas uitgebracht had.
In de maand mei van 1970 reisde een andere groep uit het gebied rond San Fransico – het gebied heet ook wel the Bay Area – naar Nashville op daar opnamen te maken. Moby Grape nam er het album Truly fine citizen op. Het album werd nogal matig ontvangen en deed het commercieel gezien ook niet bijster, het bereikte slechts een 157e plaats… Toch leverde het album ‘Right before my eyes’, een prachtige song op.
Ze waren afkomstig uit New York en de folkscene in Boston, maar verhuisden in 1967 naar Marin County in Californië. The Youngbloods namen een aantal songs op die zeker het gevoel maar ook de instrumentatie van de countrymuziek bezaten.
The Grateful Dead verschenen niet eerder als 1970 op het toneel, hoewel de leider van de groep, Jerry Garcia, zijn hele leven al een liefhebber was van country, folk en bluegrass muziek. Tijdens het begin van 1970 was Jerry Garcia een van de oprichters van de New Riders of the Purple Sage, bovendien speelde hij regelmatig pedal steel op de opnamen van andere artiesten.
Er was tijdens de jaren zestig van alle groepen in The Bay Area maar één groep die het fanatiekst aan hun optredens werkte en dat was Mother Earth, een wat bijzondere eenheid die zich specialiseerde in rhythm and blues, maar ook folk, blues, rock en country speelde. De groep stond onder de leiding van de zangeres Tracy Nelson, een vrouw met erg veel uitstraling. In 1969 reisde de groep naar Nashville om daar verschillende songs op te nemen voor Make a joyful noise, het tweede album dat de groep uit zou brengen voor Mercury Records. Nadat het project voltooid was bleef de groep in Tennessee hangen, voornamelijk omdat pedal steel speler Pete Drake aangeboden had het derde album van de groep te gaan produceren – de enige voorwaarde die hij stelde was dat Tracy Nelson er mee in zou moeten stemmen dat het een country album zou worden. ‘Ik had mezelf altijd gezien als een rhythm and blueszangeres, en ik had absoluut geen zin in het gepruts met countrymuziek’, aldus de oude herinneringen van Tracy Nelson. ‘Er was wat studiotijd beschikbaar, en ik hield ervan om Pete Drake samen te werken. Daarom ben ik maar akkoord gegaan. Het is allemaal heel impulsief gebeurd…’. Het resulteerde in het album Mother Earth presents Tracy Nelson, dat ook op Mercury Records verscheen. Op dit album stonden verschillende interpretaties van country klassiekers, allemaal met het typische Tracy Nelson sausje overgoten natuurlijk. We konden songs aantreffen als ‘I fall to pieces’, ‘Stand by your man’ en ‘I’m so lonesome I could cry’, maar ook haar countrybewerkingen van materiaal van Boz Scaggs en Chuck Willis, schrijvers die toch niet een sport gemaakt hebben van het schrijven van countrymateriaal. Het album profiteerde enorm van het feit dat Pete Drake meewerkte, maar ook een aantal sessiemuzikanten die regelmatig met Elvis Presley samenwerkten (Scotty Moore, D.J. Fontana en The Jordanaires) waren van de partij. Het was echter de gepassioneerde maar toch genuanceerde manier van zingen van Tracy Nelson die het album in een goed daglicht bij de critici stelde en het waarschijnlijk daardoor tot commercieel succes maakte.
Gene Clark speculeerde eens in een interview over het feit waarom hij en veel andere artiesten uit de eerste countryrock golf problemen hadden om hun platen te verkopen. In het bijzonder tot het eind van de jaren zestig was dit duidelijk het geval. ‘We waren, volgens mij, onze tijd waarschijnlijk een beetje vooruit. Na 1969 verkocht geen enkel countryrock album goed, en dat was al na de periode dat de mensen bedacht hadden dat Crosby, Stills, Nash en Young toch behoorlijk vast verankerd in de countryrock waren’. Het vertrek van Gram Parsons uit The Flying Burrito Brothers in april 1970 betekende het einde van de eerste countryrock golf, daarna zou een tweede generatie countryrock artiesten veel groter commercieel succes halen dan de eerste groep voor mogelijk had gehouden. De belangrijkste reden voor dit feit was het gegeven dat de tweede generatie countryrock artiesten minder risico’s nam aangaande de stijl van hun muziek, maar ook het feit dat het grote publiek beter aan het geluid van de countryrock gewend was geraakt zorgde ervoor dat de muziek meer gewaardeerd – en daardoor meer verkocht – werd.
Tijdens deze tweede countryrock golf waren er vrij weinig artiesten die financieel profijt hadden van het muziekgenre dat ze mee hadden helpen creëren. De situatie waarin Gram Parsons zich bevond was typisch voor deze periode. Hij had twee albums opgenomen die goed waren ontvangen, maar waarmee hij helaas betrekkelijk weinig commercieel succes had. GP (opgenomen in het najaar van 1972 en uitgebracht zonder lijstnotering in januari 1973) en vervolgens Grievous Angel (opgenomen in de zomer van 1973 en postuum uitgebracht in januari 1974).

Ook dit laatste album had nauwelijks enige impact op de hitlijsten, het bleef op een 195e plaats hangen… Beide albums waren voortzettingen van het werk dat hij in het begin van de eerste countryrockgolf op had genomen. Gram Parsons overleed vrij plotseling op 19 september 1973 als het gevolg van een overdosis drugs. Hij was maar net zesentwintig jaar oud geworden. Ondanks zijn persoonlijke en muzikale tekortkomingen heeft Parsons, meer dan wie van zijn collegae ook, de countryrock populair gemaakt. Zijn charisma en zijn niet aflatende ijver om het genre de populariteit te geven die het naar zijn mening verdiende zijn de belangrijkste redenen geweest waardoor de countryrock uiteindelijk de plek in het muzikale landschap heeft gekregen die het nu heeft.
In 1984 zei John Morthland, een recensent van onder andere de muziek van Gram Parsons, iets over de de waarde en de positie van Gram Parsons in de hedendaagse countryrockmuziek. Ook sprak hij over de muzikale en esthetische verschillen tussen de eerste en de tweede countryrockgolf. ‘De eerste keer dat ik Gram Parsons hoorde was ik niet erg van hem onder de indruk. Ik moet toegeven dat hij tegenwoordig veel beter klinkt, terwijl het nog steeds dezelfde muziek als toen is. Waarschijnlijk komt het omdat zijn navolgers de muziek tot een lichte, bubbelende en vrolijke muziek hebben gemaakt. Wat duidelijk overeind blijft staan is Gram’s eigen toewijding aan het mysterie, de pij en het onuitsprekelijke smachten dat de countrymuziek eigen is. Door zijn inbreng is de countryrock waarschijnlijk een stuk genietbaarder geworden’.
De opnamen van Gram’s vroegere collegae klinken tegenwoordig ook veel beter. Naar de duidelijk te beargumenteren mening van velen klinken ze beter dan de muziek van degenen die op dit vroege werk hebben voortgeborduurd…

Poeh Harry, dat was mie eem een verhoal mit veul interessante informoatie. Bin natuurlijk weer bliede dat de grote rol van Cash nog eem weer benoadrukt wordt. Zoveul noamen het doezelt mie nog veur de ogen. Natuurlijk ook de noam van Steve Young, echt veur ons bekend. Nog leuk om te vermelden dat ik op 3 September 1987 een gesprekje had heb met Earl Poole Ball over zien rol bie The Byrds. Hai was de vaste pianist van The Johnny Cash Show. Hai was aangenoam verrrast dat ik wos dat hai bie The Byrds had speult en ook op de LP Sweetheart of the Rodeo.
Zo af en toe probeer ik een ‘long read’ te plaatsen. Deze had ik al een paar jaar liggen, maar ‘k had tot dusverre niet bedacht hoe ik er mee verder wilde. Ben blij dat jij het interessant leesvoer vond! Dank voor jouw reactie!