Dún Loaghaire!
Americans say: ‘Dún Loaghaire’…
Afgelegde route: Rhoscolyn → Four Mile Bridhge → Dryffryn → Holyhead → Veerboot naar Ierland → Dùn Loaghaire → Dalkey → Killiney → Shankill.
Gefietste afstand: 25,3 kilometer ♦ gemiddelde snelheid: 14,4 kilometer per uur ♦ fietstijd: 1 uur, 45 minuten, 53 seconden ♦ totaal afgelegde afstand: 394,2 kilometer ♦ maximale snelheid: deze dag niet vastgelegd.

Zo rond 08:00 uur waren we allebei weer present. Dat wil zeggen, ik was uit mijn tentje en de Vogel mocht nog even blijven meuren terwijl ik me richting de douches begaf. Ik had hem al wel wakker gemaakt dus ik ging ervan uit dat hij wel in mijn spoor zou verschijnen.

Ik berg de laatste tijd al mijn tassen in de voorkant van mijn tent op, net buiten het deel waar ik zelf slaap. Dit heeft als voordeel dat ik veel meer ruimte in de tent heb, maar tegelijk als nadeel dat ik iets meer moeite heb om dingen terug te vinden. Zo kon ik deze ochtend mijn handdoek niet vinden. Gelukkig had ik twee handdoeken bij me en met dit reserve exemplaar gewapend toog ik weer richting douches. Terwijl ik al halverwege de grote kuis was dook ook Harry ineens op. Na me ook geschoren te hebben sjokte ik op mijn gemak richting tent. Ik had me bedacht dat ik de handdoek de vorige avond nog over de omheining gehangen had en kwam tot de conclusie dat deze misschien wel weggewaaid was.

Terwijl ik terugliep naar de tent keek ik dus goed uit of ik mijn handdoekje ergens zag liggen. Het zoeken bleef zonder resultaat. Die ben ik dus voorgoed kwijt. We hadden ons de vorige dag redelijk aangesteld en onze lichamen lieten ons dat weten ook. Heel rustig aan begon ik mijn spullen in te pakken. Harry volgde niet veel later. Het duurde dit keer ruim een uur voordat we alles hadden ingepakt en aan de fiets hadden gehangen. Daarna konden we dus op weg.

We verlieten de camping. Gek genoeg hadden we nu niet zoveel last van de verkeersdrempels. De weg terug naar het dorp was bijna echt zo lang als dat we ons van de vorige dag herinnerden. Binnen het halve uur kwamen we in Dryffyn aan. Het was zondag, maar dat betekent in Groot Brittannië niet dat de winkels gesloten zijn. Een supermarktje was open en hier kochten we twee Italiaanse bollen, met kaas en chives (= bieslook), twee halve litertjes melk en wat ansichtkaarten. Buiten stonden weer twee mensen mijn fiets te bewonderen en wij voegden zich bij hen voor een praatje.

Een minuut of tien later gingen wij op zoek naar een plekje om ons ontbijt te kunnen nuttigen. We vonden een restaurant met in de tuin een aantal picknick tafels. Gezien het vroege uur was hier nog niemand aanwezig en we besloten hier maar te gaan zitten. In het zonnetje en uit de wind werkten wij ons ontbijt naar binnen. Hierna stapten we op de fiets en gingen op weg naar Holyhead.
We waren teruggefietst naar de plek waar we de A5 weer op konden pikken en hielden een westelijke koers aan. Holyhead was slechts een mijl of zes verwijderd en de weg erheen was ook niet al te zeer geaccidenteerd. Met andere woorden: vrij snel waren we in Holyhead. Net als in de andere havens die ik ken waar een speciale veerdienst onderhouden wordt stond ook nu de terminal al ver van tevoren en met hele grote borden aangegeven. Je hoefde echt geen goede kaartlezer te zijn om toch op de gewenste plaats van bestemming te komen. We zetten onze fietsen tegen de gevel en liepen naar binnen.

Vanuit deze terminal zijn er twee maatschappijen die een regelmatige veerdienst met Ierland onderhouden. Dat zijn de Stena en Irish Ferries. Harry had eigenlijk graag met laatstgenoemde maatschappij willen reizen. Een blik op de vaartijden leerde ons dat we pas in de avond met Irish Ferries mee zouden kunnen daar waar de veerboot van de Stena al met een uurtje of anderhalf zou vertrekken. De keuze was dan ook snel gemaakt. Daar kwam nog bij dat de Stena ook hier zo’n snelle HSS catamaran in de vaart had en dat deze er in globaal anderhalf uur zou zijn..
We liepen naar de balie en kochten ons twee kaartjes. Voor het luttele bedrag van £ 70,- mochten we allebei meevaren. Deze overtocht was bijna net zo duur als de overtocht van Hoek van Holland naar Harwich, terwijl deze toch beduidend korter was. Maar zo is het leven. Terwijl we bij de balie stonden te wachten zagen we daar een maquette van de ‘Koningin Beatrix’. Dit is de boot die jarenlang de overtochten tussen Hoek van Holland en Harwich had verzorgd. Verbaasd vroegen wij of deze boot nu de verbinding onderhield tussen Dublin en Holyhead. Nog meer verbaasd waren we toen we een bevestigend antwoord kregen op onze vraag. Deze zeereus werd nu ook ingezet om iedere dag, tweemaal, een tochtje van circa 3½ uur te maken tussen Ierland en Wales en vise versa. Onbegrijpelijk.
We zochten een plaatsje op in de terminal totdat omgeroepen werd dat er begonnen werd met het inchecken van de passagiers. Er waren hier voldoende stoelen maar heel weinig tafeltjes. En dat schrijft best moeilijk. Ik verdeelde mijn tijd tussen schrijven en lezen.
Zo rond 12:00 uur begon men met het inchecken van de passagiers. Dat was niet tegen dovemans oren gezegd en wij begaven ons snel naar buiten. Nodeloos te zeggen dat we ook nu weer vooraan stonden. Eigenlijk stonden we vooraan op een immens parkeerterrein dat in een groot aantal banen was ingedeeld. Er stonden drie auto’s, twee motoren en twee fietsen. Al snel werd het ons duidelijk dat we nog minstens een uur zouden moeten wachten voordat wij daadwerkelijk aan boord gelaten werden. De boot die ons naar Ierland zou brengen lag nog niet eens in de haven. Wij zetten onze fietsen tegen elkaar aan en wandelden naar het taxfree winkeltje. Of was het geen taxfree meer? In ieder geval zat er de onvermijdelijke winkel bij deze terminal en daar liepen wij naar binnen. Harry deed weer een vergeefse poging om Karl Lagerfeld deodorant te vinden. Het ging er steeds meer naar uitzien dat hij zou moeten wachten totdat hij weer terug in Nederland was.
In de winkel zagen we wel de eerste souvenirs van Ierland maar dezen waren van een dusdanige onbenulligheid dat wij er maar weinig aandacht aan schonken. Bovendien zijn wij niet echt van die souvenirjagers. We keerden op onze schreden terug naar de fietsen. Hier begon de parkeerplaats aardig vol te lopen. Het was een mooie dag en op een gegeven moment leek het mij wel een goed idee om wat te drinken te gaan halen. Ik liep naar het restaurantje met dit doel in gedachten. Daar was net de inhoud van een touringcar voor het buffet aangeschoven en dus leek het mij een beter idee om even te wachten totdat de meute weg zou zijn.
Wij zochten een tafeltje op aan het terrasje en ik begon weer afwisselend te lezen en te schrijven. In meerderheid bleef het wel bij schrijven, moet ik eerlijk bekennen, hoewel ik verwoede pogingen deed om de achterstand in het reisverhaal tot niet al te buitensporige proporties op te laten lopen. Wij keken zo af en toe hoe de stand van zaken bij het buffet was. Het goede nieuws was dat ze de stroom precies bijhielden. Het slechte nieuws was dus dat de rij geen millimeter korter werd. Wij haalden dus onze bidons maar weer eens tevoorschijn. Daar zit, meestal, wel fris water in. Na verloop van tijd had Harry ook niets meer gevonden om op zijn gemak heen te drentelen en we gingen met zijn tweeën de voorbijkomende mensen zitten bekijken. En hen voorzien van het nodige commentaar, natuurlijk. Een zeer leuke tijdsbesteding.

Eindelijk kwam de HSS catamaran van de Stena, achteruit, de haven binnen varen. In een recordtijd werden alle passagiers vanuit Ierland en alle voertuigen van boord gejaagd. Waarna wij weer zo snel mogelijk aan boord mochten zien te komen. Gelukkig mochten ook nu de fietsen als eerste aan boord. Dit is geen toeval. Bijna alle veerboten hebben in hun autodekken wel een paar dode hoeken waar ze geen auto of vrachtauto in kan parkeren. Deze worden dan ook meestal gereserveerd voor tweewielers. En omdat het onmogelijk wordt voor deze zelfde tweewielers bij hun parkeerplaats te komen als de autodekken al volstaan mogen zij als eersten aan boord. Daarnaast is het ook een stuk veiliger om eerst de fietsers en motoren aan boord te laten. Pas als die in het ruim zijn mogen de auto’s beginnen te rijden.
Even hadden we het idee dat wij de enige fietsers aan boord zouden zijn. Dit zou niet de eerste keer zijn. Maar wij bleken slechts de helft van het totaal aan fietsers uit te maken. De helft van die andere helft was een nog jonge gast uit Wales. Hij had een lekke voorband en sprak ons aan met de vraag of wij een fietspomp bij ons hadden. De band werd opgepompt en liep niet meteen leeg. De jongeman had het idee opgevat om toch zijn wiel mee naar boven te nemen en deze tijdens de overtocht te voorzien van een andere band. Na veel vijven en zessen besloot hij om na afloop van de overtocht te bekijken of de band hard was blijven staan. Hij moest toch in Dublin zijn en als de band was leeggelopen was het gewoon een kwestie van oppompen en dan zou hij het wel halen tot de plaats waar hij moest zijn.
Ondertussen waren wij te weten gekomen dat hij een paar dagen bij een vriend in Dublin zou blijven en dan door Ierland zou gaan fietsen. Hij zou eerst met een vriend van hem aan de tocht beginnen maar deze had op het laatste moment afgezegd. Ik vond het wel dapper dat hij besloten had om in zijn eentje door te gaan. Ik weet van mezelf dat ik daar niet de moed toe gehad zou hebben.
Hierna togen wij naar de passagiersdekken. Boven aangekomen gingen wij ieder onze eigen weg en spraken we af dat we bij het verlaten van de boot elkaar wel weer zouden zien. Doordat wij in het ruim zoveel tijd ‘verspeeld’ hadden was het moeilijker geworden om een goed zitplaatsje te bemachtigen. Toen we eindelijk een tafeltje gevonden hadden bleken we toch een fatsoenlijk plaatsje te hebben. Soms zit het mee…
We hadden al snel gezien dat deze boot een exacte kopie was van de boot waarmee we naar Engeland gevaren waren. Even groot en met dezelfde faciliteiten. Terwijl ik me aan het tafeltje installeerde ging Harry in de boordwinkel nog maar eens proberen of hij zijn Karl Lagerfeld kon vinden. Ook deze keer ving hij bot. Met in het achterhoofd dat we de volgende dag in Dublin zouden zijn kon hij hier niet echt mee zitten. Ik zette me aan de schrijverij. Door consequent te blijven schrijven wist ik de achterstand tot maximaal twee dagen te beperken. En dat was nog een hele opgave. Daarnaast had ik een boek van Raymond Feist gekocht dat mij buitengewoon boeide en waarin ik las zoveel ik kon.
Ik had geen enkele zin om op het gemak de boot te verkennen. We hadden alles al gezien. Nog geen week geleden. Harry kende de weg inmiddels ook aardig en kwam niet veel later terug met wat te eten. Het was inmiddels al bijna 14:00 uur en onze magen hadden al geprotesteerd. Vlak voordat de boot vertrok werden de films omgeroepen. En dat voor een tochtje van goed anderhalf uur. Blijkbaar voorzien ze toch in een bepaalde behoefte want anders zou men er niet aan beginnen.
Terwijl we zo over de Ierse Zee raasden kwamen we een andere catamaran tegen van de Stena. En nou zagen we pas goed hoe snel deze boten over het water vliegen. Aan boord merk je er echter heel weinig van, behalve dan het feit dat deze boten iets minder stabiel op het water liggen dan die drijvende paleizen die ‘vroeger’ werden ingezet. De reis verliep eigenlijk zonder bijzonderheden. In 99 minuten waren we in Ierland. En Harry had hier al de hele tijd naar uitgekeken. Ierland! Het land van de roodharigen! Iedereen werd opgeroepen zich naar zijn of haar voertuig te begeven en wij daalden af naar het ruim.
Daar kwamen wij de jongen weer tegen die nu in zijn eentje moest gaan fietsen. Helaas was zijn band weer leeggelopen. Hij hoefde echter niet ver meer te fietsen want hij bleef bij een vriend in Dún Loaghaire (lees: Don Leery). Harry pompte zijn voorband weer op en wij maakten ons klaar om te vertrekken. Doordat wij nu redelijk ingesloten stonden duurde het even voordat wij van boord af mochten. De douane zag ons aankomen en wuifde ons zeer vriendelijk door.
Aan het einde van de straat stond een bordje dat verwees naar het TIC. Zonder verder dralen of overleg zetten wij koers daarheen. Een kilometer verderop zagen wij het tweede bordje. Dit wees precies die kant op die wij gekomen waren. Verwarring bij de twee reizigers was het gevolg. Wij overlegden even en besloten toch even terug te gaan om toch het TIC met een bezoekje van ons te vereren. Stel je voor, nou waren wij in de buurt en kwamen we niet bij hen op bezoek. Dat konden wij die mensen niet aandoen. Als compromis besloten we deze keer te wandelen. Het was razend druk en op deze manier liepen we de minste kans om het TIC nog een keer mis te lopen. Hoe we echter ook keken, geen TIC. Ten langen leste vroegen we het maar aan een paar mensen. Deze gaven wel vrij gedetailleerde aanwijzingen maar deze konden niet kloppen. Hoe dan ook, we besloten nog een derde keer hetzelfde stuk weg langs te rijden. Zouden we niets vinden dan was het adieu TIC!

Ook deze laatste zoektocht leverde niets op en ik reed gewoon door. Op de kaart hadden we de route globaal al uitgevogeld en we zetten in eerste instantie koers naar Killiney. Ondertussen kregen we een aantal prachtige vergezichten voorgetoverd. In de verte doemde een enorme berg voor onze neus op. Harry zei nog: ‘Ik hoop dat we daar niet overheen hoeven’. Dat had hij beter niet kunnen zeggen. Alsof hij het noodlot over ons afgeroepen had met deze uitspraak kronkelde de weg zich gestaag naar de voet van die berg. Vogel schakelde naar zijn kleinste verzet en reed in een groot aantal etappes, van een paar honderd meter per keer, naar boven.

Ik deed manmoedige pogingen om ook fietsend boven te komen maar na anderhalve kilometer gaf ik de pijp aan Maarten. Ik ging lopen. Ook in etappes van vijftig tot vijfenzeventig meter per keer. Daarna moest ik echt wel een tijdje uitrusten. Op een gegeven moment werd ik door een oud, mank lopend, heertje ingehaald. En ik kon hem niet bijhouden. Harry mocht dan wel gefietst hebben maar echt veel voorsprong kreeg hij niet. Ik bleef hem heel lang in het oog houden. Al met al duurde het bijna een vol uur voordat wij deze ene berg ‘bedwongen’ hadden. Buiten adem kwam ik boven aan. Harry had inmiddels wel een dusdanige voorsprong ontwikkeld dat hij inmiddels aardig op adem gekomen was.
We zetten de fietsen even aan de kant en gingen de situatie eens nader bekijken. Volgens onze kaart was er geen sprake van grote hoogteverschillen. Of het moest zijn dat dit hele deel door ‘grootstedelijk Dublin’ zo leek. Hoe dan ook, we waren het er beiden over eens dat als de weg zo bleef er niet echt aan fietsen te denken viel. We spraken een paar mensen aan en vroegen of zij wisten of dit de goede weg naar Shankill was. Wis en waarachtig wel. En ja, daar was ook een camping. Het voordeel was dat de weg naar de camping globaal alleen maar bergafwaarts was. Dit stelde ons wel gerust. Maar dat was valse geruststelling. We begonnen aan de afdaling en dit keer begon ik voorop. Ik zag mijn maatje mij niet voorbij komen dus ik dacht dat ik wel goed ging. Het wegdek was werkelijk een nachtmerrie. En dat is dan nog een positieve beoordeling van de staat van de weg. Nog nooit, echt nog nooit heb ik op al mijn fietstochten door Engeland, Schotland, Wales, Nederland, België en Luxemburg zo’n belabberd wegdek gezien. Het was een grote verzameling aan putten, rillen, gaten, kuilen, bulten, richels, putdeksels, hobbels, drempels en wat je nog maar meer kunt bedenken. Er was geen vierkante meter egaal. Hopeloos.

Daarnaast liep de weg nog eens redelijk steil naar beneden. Vanaf het moment dat ik aan de afdaling begonnen was had ik mijn remmen gebruikt. Gezegd moet worden dat ik de snelheid aardig onder controle had. Maar toch gebeurde het regelmatig dat ik met mijn volle lichaam van mijn zadeltje omhoog stuiterde. Onvoorstelbaar! Bij een zijweg heb ik mijn fietsje even aan de kant gezet en liet ik mijn hart tot bedaren komen. Het duurde een behoorlijke tijd voordat mijn fietsmaatje zich bij mij voegde. Hij had nog meer afgezien als ik. Hij was zich echt een bult geschrokken.
We rustten wat en kwamen al kletsend tot de conclusie dat het fietsen van B-wegen in Ierland absoluut uit den boze zou zijn. We zouden naar de camping fietsen en dan zouden we verder wel zien. In eerste instantie had ik al voorgesteld helemaal af te zien van fietsen in Ierland maar daar ben ik later (gelukkig) van terug gekomen. Dat zou betekenen dat we een nederlaag hadden geleden en dat konden we niet accepteren.
Na een kwartiertje begonnen we het tweede deel van de afdaling te doen. Ik moet nog vermelden dat naast de staat van de weg en het feit dat deze steil naar beneden liep er nog een paar factoren waren die ons dwars zaten. Het was nu zondag en toch was deze weg behoorlijk druk. En als je dan bedenkt dat deze weg nog smal, bochtig en onoverzichtelijk was dan kan je je indenken dat dit echt de nachtmerrie voor iedere fietser zou zijn. Een heel eind later stuurde ik een B-weggetje in. Inmiddels hadden we Shankill bereikt. Ook nu weer ging ik op mijn fietsmaatje zitten wachten. Dit duurde zo lang dat ik al ging overwegen om terug te keren op mijn schreden. Ik was ervan overtuigd dat hem iets overkomen was.
Toen hij eindelijk naast mij stond moest hij gewoon van de fiets af. Hij had een hartslag van tegen de 200, of misschien zelfs erover, en zijn knieën knikten haast. Hij vertelde me dat hij nog nooit bang was geweest op de fiets maar dat hij deze keer doodsangsten uit had gestaan. Het huilen stond hem nader dan het lachen. Hij had zich onderweg afgevraagd of zijn remmen het zouden houden. En ik moet zeggen dat ik me ook, voor het eerst in 107.000 kilometer, dezelfde vraag had gesteld. Harry was zelfs zo geschrokken dat hij de hele verdere fietsvakantie met de nodige omzichtigheid van hellingen naar beneden is gefietst. Daar waar hij in het verleden gewoon zijn fiets naar beneden liet storten en met volle teugen genoot probeerde hij de fiets veel meer onder controle te houden.
Met grote unanimiteit besloten we voortaan alleen nog maar A-wegen te fietsen in Ierland. Bovendien zouden we de Wicklow Mountains zoveel mogelijk zien te mijden. Het duurde bijna een half uur voordat we weer voldoende moed verzameld hadden om door te fietsen. We waren vlak bij de camping. Dat was nog maar een afstandje van enkele kilometers. Met een diepe zucht van verlichting reden we de camping op. Dit avontuur hadden we ook weer overleefd.
We checkten in en kwamen tot de conclusie dat dit de duurste camping was van de hele trip, tot nu toe. We moesten £ 6,- (Ierse) de man betalen om ons tentje hier een nacht te laten staan. Daarnaast moesten we ook nog voor de douches betalen. We zochten snel een plekje uit en we begonnen weer aan onze bouw activiteiten. De tenten stonden weer snel overeind. Dit ondanks het feit dat de losse aarde op deze camping niet meer dan vijf centimeter diep was. Verder wilden onze haringen tenminste niet de grond in.
Nadat we alles uitgezocht hadden was het echt tijd geworden voor crisisberaad. We pakten de kaart erbij en beraadden ons op onze situatie. Aangezien wij niet meer over B-wegen wilden fietsen bleven er alleen maar de nationale wegen over. De N-11 leidde vlak langs de camping. Nou waren er twee problemen. Ten eerste liep deze weg dwars door de Wicklow Mountains. En dat wilden wij absoluut niet meer doen. Daarnaast werd de N-11 vlak voorbij Shankill een motorway. En daar mogen wij niet overheen fietsen. We zouden vanaf Shankill de trein nemen tot aan het zuiden, tot voorbij deze beide punten. Hoever dat precies zou zijn zagen we wel met een dag of twee.

De volgende dag zouden we met de bus naar Dublin gaan. We liepen naar de bushalte, net buiten de ingang van de camping, en keken daar naar de vertrek tijden. We hadden globaal afgesproken dat we gewoon een dagje toeristje zouden spelen in Dublin. We hebben nog even een bankje geconfisqueerd en daar nog een tijdje zitten schrijven. En lezen. Al met al was het toch weer redelijk laat geworden. We hadden de afgelopen dag niet echt veel gefietst maar het was wel heel erg zwaar geweest. We waren allebei volledig gesloopt.

Facebook reacties