Excursie in de Martinikerk, Groningen (augustus 2012)
Als je spreekt over iconen van de stad Groningen, dan mogen de Martinitoren en de Martinikerk beslist niet ontbreken. De Martinitoren is sinds jaar en dag voor mij één van de mooiste herkenningspunten van de stad. ‘d’Olle Grieze’ steekt met z’n 96,8 meter hoogte behoorlijk uit boven de rest van de stad en is daardoor voor mij en héél veel anderen een mooi oriëntatiepunt. Als ik op een mooie dag een rondje aan het fietsen ben en het is weer tijd om naar huis te fietsen richt ik me meestal op de Martinitoren; ik weet uit ervaring dat het dan wel goed komt. De bij de Martinitoren horende Martinikerk krijgt doorgaans iets minder aandacht. Dat is jammer, want dat is een uitzonderlijk mooie kerk. Een wandeling over en door de kerk was het doel van deze excursie.
Vanaf het dak van het Groninger Forum is deze mooie foto van de Martinikerk en -toren gemaakt.
De Martinikerk, vroeger de Sint-Maartenskerk of Sint-Maartenskathedraal genoemd, is de oudste kerk van de stad Groningen. De kerk en de bijbehorende Martinitoren zijn vernoemd naar Sint-Maarten. De huidige Martinikerk is een hallenkerk die voornamelijk uit de 15e-eeuw dateert. De Martinikerk deed tijdens het kortstondige bestaan van het eerste bisdom Groningen (1559-1594) dienst als kathedraal. Bron: Wikipedia.
In 1945 werd kort na de Bevrijding deze foto van de Grote Markt met de Martinitoren gemaakt. Duidelijk is te zien dat het Scholtenhuis compleet vernietigd is. De Martinitoren staat in de steigers, maar heeft de Tweede Wereldoorlog en de bevrijding van de stad nagenoeg onbeschadigd doorstaan. Foto: P.B. Kramer, collectie Groninger Archieven. Ik heb de online software van MyHeritage gebruikt om de foto iets scherper te maken en in te kleuren.
Een paar weken terug vond ik in m’n digitale archief een mapje met wat foto’s van een excursie in de Martinikerk in augustus 2012. De excursie bestond uit twee delen: [1] een wandeling met een gids over houten vlonders over het gewelfde plafond van de kerk onder het puntdak, en [2] een wandeling met dezelfde gids door het interieur van de kerk. De excursie was een idee van P. Zij had een keer met leerlingen van school een soortgelijke excursie gedaan en ze vertelde thuis dat het erg interessant was geweest. Na dat verhaal van P. was ik behoorlijk nieuwsgierig geworden. Ik was eerder wel eens in de Martinikerk geweest, maar om de gewelven vanaf de bovenkant te kunnen bekijken leek me wel erg bijzonder. We boekten een excursie en gingen op pad.
De dans om de vrijheidsboom, Het oprichten van de vrijheidsboom op de Grote Markt – Geschilders door Johann Ludwig Hauck in 1795. Bron: collectie Groninger Museum.
De Martinitoren (d’Olle Grieze) boort natuurlijk onlosmakelijk bij de Martinikerk. Vanwege de volledigheid besteed ik dus ook aandacht aan de Martinitoren, terwijl onze excursie puur op de Martinikerk gericht was. Op de site De verhalen van Groningen (link opent in een nieuw tabblad) staat een mooi verhaal (link opent in een nieuw tabblad) over de geschiedenis van de Martinitoren. Het verhaal is ook te lezen door op de onderstaande grijze balk te klikken (deze klikt dan open. Nog een keer klikken en de grijze balk sluit zich weer).
De Martinitoren: wakend tot over de horizon
Wie Groningen nadert, ziet al van ver het markante silhouet van de Martinitoren. Al in de 16e en 17e eeuw betaalden bezoekers, sommigen zelfs stiekem, om de toren te mogen beklimmen. Het uitzicht vanaf de Martinitoren is in al die eeuwen behoorlijk veranderd, maar de bezoekers blijven komen om rond te kijken en een beetje te ervaren van wat de toren aan zijn voeten heeft zien gebeuren. En dat is heel wat! Al in de prehistorie was de noordelijkste punt van de Hondsrug bewoond: een strategische, want droge plek in het kwelderlandschap waar de zee nog vrij spel had. Over de eerste – houten – kerken en hun torens is weinig bekend. Op het stadszegel uit de 13e eeuw staat een stenen toren, die rond 1452 instortte. Er werd toen een nieuwe toren gebouwd, maar een storm in 1465 liet ook deze toren instorten.
Drie torens
Driemaal is scheepsrecht, want de derde toren is de Martinitoren die ook vandaag de dag nog fier overeind staat. In 1469 begon men ‘an to leggen de muere van den nijen toeren to sunte Merten’. Het typisch grijs verkleurende zandsteen kwam uit Duitse steengroeves en de aanvoer daarvan ging, ondanks politieke spelletjes en blokkades, tot in de zestiende eeuw door. In 1548, iets minder dan tachtig jaar na aanvang van de bouw, werd de windvaan geplaatst. Dat de ongeveer honderd meter hoge toren een grote indruk maakte, kan afgeleid worden dat er in de 16e eeuw zowel in Amsterdam als in Emden een etablissement te vinden was dat ‘De Groninger Toren’ heette. De Martinitoren had verschillende functies. Naast klokkentoren was de belangrijkste die van uitkijkpost. Een torenwachter keek ’s nachts uit over de stad om een eventuele brand zo snel mogelijk te signaleren. Verder moest hij alles wat de stad naderde en verdacht leek, zoals vijandelijke troepen, melden door op zijn trompet te blazen en een vlag uit te hangen.
Spanjaarden
Vijandelijke troepenbewegingen waren er voldoende in die tijd. In 1568 was de Slag bij Heiligerlee uitgevochten en achteraf gemarkeerd als het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Deze Opstand tegen de Spaanse koning Filips II bracht Groningen in een lastig parket. De beruchte Spaanse hertog Alva kwam hoogstpersoonlijk naar Groningen om hier de orde te herstellen. Vanaf 1568 hield hij de Stad en de Ommelanden in een ijzeren greep. Toen het in maart 1577 voor de Spaanse troepen en Waalse huurlingen niet langer mogelijk was om stand te houden, bliezen ze de aftocht. De Groningers waren wild van vreugde en sloopten dezelfde dag nog de dwangburcht die Alva had laten aanleggen. Overal in de stad brandden vreugdevuren. Toen een paar feestvierders ook op de Martinitoren een vreugdevuur ontstaken, ging het mis. De bovenste dertig meter van de toren stortte in en de klokken vielen naar beneden. Decennialang zou de Martinitoren gehavend blijven uitkijken over de stad.
Beleg en Ontzet
Na de Reductie van 1594 wordt het rustiger rondom Groningen: de strijd wordt nu elders uitgevochten. Toch zal het nog tot 1648 duren voordat de Nederlanden definitief onafhankelijk worden. En daarna gaat het al snel weer mis. Korte oorlogen met de Engelsen over de heerschappij over de wereldzeeën en in 1672 het zogenaamde Rampjaar. Van alle kanten wordt de jonge republiek aangevallen: door Engeland, Frankrijk en de bisdommen Münster en Keulen. De ene na de andere Nederlandse stad wordt veroverd door buitenlandse troepen. De vechtlustige bisschop van Münster, Christoph Bernard von Galen, meent dat Groningen van hem is en trekt in juli 1672 met een leger van 24.000 man op naar de stad. Op 21 juli komt het leger aan ten zuiden van de stad. Een paar dagen later begint Bommen Berend met beschietingen met kanonnen, de tactiek waar hij zijn bijnaam aan te danken heeft. Bijna een maand lang regent het onophoudelijk kanonskogels, keien en brandbommen op de stad. Maar de bewoners zijn voorbereid. Onder leiding van de ervaren Carel Rabenhaupt verdedigen ze de stad met hand en tand. Het zuidelijke gedeelte van de stad raakt zwaar beschadigd. Honderden burgers vluchten naar het noorden van de stad, waar ze buiten bereik van de kogels zijn. Een enkele bom komt echter zelfs tot in de Ebbingestraat. Vanaf 25 augustus neemt het kanonnenvuur af. Von Galen heeft zware verliezen geleden en zijn manschappen zijn teleurgesteld. Begin augustus heeft het flink geregend, waardoor er ziekten zijn ontstaan in het kamp van de aanvallers. Op 27 augustus wagen enkele Groningers zich buiten de stadswallen. De treffen de loopgraven leeg aan: het grote leger van Bommen Berend geeft het op! Een dag later druipt Von Galen definitief af en is Groningen ontzet. Terwijl de Nederlanders overal zware verliezen lijden in Rampjaar 1672, blijft Groningen behouden: ‘Groningen constant, behout van ’t lant’.
Kleine luiden met grote ideeën
De 18e eeuw staat ook wel bekend als de pruikentijd. Tegelijk is het in de Nederlanden een tijdperk waarin de regenten de macht stevig in handen houden en een vaak conservatief bewind voeren. In Groningen is dat niet anders. De ruimtelijke inrichting van de stad verandert nauwelijks gedurende een eeuw en ook het aantal inwoners neemt maar heel langzaam toe. Tegelijk vinden er wel ontwikkelingen plaats op het gebied van onderwijs, zorg en vooral op het gebied van ideeënvorming. Steeds meer burgers zijn geschoold en de roep om democratie wordt langzaam steeds luider. In navolging van de Franse Revolutie wordt eind januari 1795 in Groningen de Bataafse Revolutie geweldloos doorgevoerd. Franse troepen die op 19 februari 1795 de stad binnentrekken, worden verwelkomd als bevrijders. Torenwachter Cornelis Auwerda beheert de Martinitoren van 1762 tot 1808 en ziet de tijdgeest veranderen en is ooggetuige van een groot deel van de gebeurtenissen. Hijzelf is een kind van zijn tijd: geletterd, intelligent en gewiekst. Uit zijn talloze brieven aan het gemeentebestuur over uiteenlopende onderwerpen (kleedgeld, boetes, ongedierte in zijn huis, sleutels) rijst het beeld op van een man die vindt dat de regels niet voor hem gelden en die graag in discussie gaat om zijn zin te krijgen. Iedere andere torenwachter zou direct ontslagen zijn als hij werd betrapt bij het hakken van een doorgang van zijn woning naar de kerk en de toren, maar niet Cornelis Auwerda, die dat kunststukje in 1872 daadwerkelijk probeert te realiseren.
Bliksem en elektriciteit
De zogenaamde ‘Franse tijd’, vanaf de Revolutie tot 1813, brengt de Groningers allerlei wetten en bepalingen die we ook vandaag de dag nog handhaven. Denk aan het metrieke stelsel, maar ook aan de invoering van een burgerlijke stand, een kadaster en een officiële tijdrekening. Het verschil tussen Groningen in 1800 en in 1900 is enorm: in de 19e eeuw worden de vestingwallen afgebroken, krijgt de stad een spoorlijn en een station, nieuwe wijken, verharde wegen en tal van andere uitbreidingen, aanpassingen en voorzieningen. In 1822 woedt in de Martinitoren een grote brand, veroorzaakt door een blikseminslag. Verschillende burgers leveren een heldhaftige strijd tegen het vuur, waaronder twee jonge wezen, die beiden een beloning ontvangen voor hun optreden. De roep om een bliksemafleider groeit en professor Ermerins van de universiteit gaat zich bezighouden met de beveiliging van de Martinitoren tegen onweer. Nadat in 1836 opnieuw brand is ontstaan door blikseminslag, krijgt de toren een jaar later dan eindelijk zijn bliksemafleider. De burgers van de stad zien (pas) in 1843 hoe effectief de installatie is: tijdens een hevig noodweer wordt een blikseminslag in de toren veilig weggeleid. In 1863 staat de Martinitoren opnieuw onder stroom, maar dit keer is het de bedoeling. Ter gelegenheid van het 250-jarig bestaan van de Hogeschool wordt de Olle Grieze feestelijk verlicht.
Instortingsgevaar en een grootse restauratie
Aan het einde van de zomer van 1884 komen plotseling flinke brokken zandsteen uit de toren terecht op het huis van de torenwachter. Hij blijft ongedeerd en er wordt een begin gemaakt met reparaties, maar in de gemeenteraad begint een slepende discussie over de restauratie van de toren, waarbij enige raadsleden serieus nadenken over de afbraak van de Martinitoren: ‘Wil men den toren afbreken, dan gaat er geschreeuw op; wil men den steiger afbreken, dan gaat er eveneens geschreeuw op; wil men misschien f 100.000 uitgeven om den toren te herstellen, dan gaat er ook geschreeuw op’, zo vat een raadslid de kwestie samen. Toch wordt in 1889 uiteindelijk een begin gemaakt met een restauratie van de buitenzijde, waarbij veel van het zandsteen wordt vernieuwd. Iets meer dan veertig jaar later, in 1932, wordt echter opnieuw geconstateerd dat er dringend restauratie nodig is. Metselwerk aan de voet van de toren is verbrokkeld, muren vertonen scheuren en verankeringen zijn doorgeroest. Kortom: ‘instorting van de toren moet niet denkbeeldig geacht worden’. Opnieuw duurt het enkele jaren voordat de gemeenteraad het eens is over een restauratieplan. Daarbij komt dat de financiering van de werkzaamheden moeizaam gaat, vooral vanwege de wereldwijde economische crisis. In 1937 wordt dan toch begonnen. De gebouwen van de VVV en de taxicentrale aan de voet van de toren moeten eerst worden afgebroken. Het werk vordert niet bijzonder snel, maar de restauraties worden grondig aangepakt. Totdat in mei 1940 ook Nederland bij de Tweede Wereldoorlog wordt betrokken. De werkzaamheden gaan aanvankelijk zo veel mogelijk door, maar de bezetter richt al snel een barak in op de toren voor bewaking tegen dreigingen vanuit de lucht. Op de restauratiesteigers wordt afluisterapparatuur geplaatst. Verschillende keren komt het bevel tot het opschorten van de werkzaamheden, maar telkens weer weten de opzichters en verantwoordelijken de Duitsers ervan te overtuigen dat het werk niet kan wachten. Op die manier ontkomen ook de uitvoerende arbeiders aan de Arbeitseinsatz in Duitsland, omdat ze onmisbaar worden genoemd voor het werk aan de toren. Enkele weken voor de bevrijding neemt de onrust toe bij de restaurateurs. Op de toren zijn een motor en een vat met tweehonderd liter brandstof aanwezig, die de nazi’s mogelijk tot ontploffing willen brengen als het tot strijd komt. In geval van explosie zou de brandstof door de waterspuwers over de steigers en de nabijgelegen panden stromen, met catastrofale gevolgen. Na veel diplomatiek gepraat weet opzichter Van Zwieteren de bevelvoerende Feldwebel ertoe te brengen de brandstoftank uit de toren te verwijderen.
De excursie in de Martinikerk bestond uit twee delen. Het eerste deel was een wandeling over de gewelven van de Martinikerk en het tweede deel was een wandeling door de kerk ‘onder de gewelven’. Betrekkelijk weinig mensen boeken de excursie, maar een wandeling over de gewelven is een belevenis op zich. Het zijn plekken waar je zelden komt en die daardoor des te meer indruk maken. Bovenop de gewelven ging het met name over de Middeleeuwse bouwtechnieken, houtverbindingen en allerlei vormen van metselwerk. In de middeleeuwen was de kerk voorzien van altaren en relikwieën. Destijds was de arm van Johannes de Doper de grootste ‘attractie’ waarvoor men van heinde en verre naar Groningen kwam. Op het moment dat de stad in 1594 met het katholicisme brak, verdwenen alle beelden, kruisen en altaren uit de kerk. Ook voor ‘de arm’ was in de protestantse kerk geen plaats meer. Of de in Groningen aanwezige arm van Johannes de Doper daadwerkelijk van Johannes de Doper was blijft een mysterie. Er is een paar jaar geleden een prachtig boek verschenen over dit mysterie; zeer de moeite waard om een keer te lezen!
De rechter arm van Johannes de Doper werd eeuwen bewaard in de Martinikerk in Groningen. Het reliek kwam volgens de verhalen rechtstreeks uit de Levant, dankzij een slimme koopman. En met de invoering aan het einde van de 16e-eeuw van het ‘gereformeerde geloof’ als enige toegestane religie verdween de arm weer om tot op heden nooit meer terug te keren. In het vrouwenklooster Yesse, onder de rook van Haren, passeerden wonderen en visioenen, waarbij de Heilige Maagd Maria en het Christuskind een hoofdrol speelden. Een houten beeld bewoog, uitgeblazen kaarsen bleven branden. En het was de cisterciënzer monnik Caesarius die samen met zijn abt Henricus uit Heisterbach in 1220 onder meer Yesse en de Martinikerk bezocht. Caesarius beschreef de Yesser wonderen en het bijzondere reliek in de Martinikerk. Bart Flikkema, al jaren bezig om details over het klooster Yesse aan de vergetelheid te ontrukken, koppelde de geschiedenis van de arm van ‘Sint Jan’ aan die van de Yesser nonnen. Met dank aan Caesarius.
Er waren planken en een leuning aangebracht zodat het niet nodig was om letterlijk over de gewelven te klauteren (wat trouwens niet werd aanbevolen, we moesten wel op de ‘paden’ blijven. Het verhaal ging veel over Middeleeuwse bouwtechnieken, houtverbindingen en het lange verhaal van de geschiedenis van de Martinikerk in het kort…
De oudste kerken Opgravingen hebben duidelijk gemaakt dat er voorafgaand aan een stenen kerk allereerst een houten kerk heeft gestaan op de plek van de huidige Martinikerk. Zo rond het jaar 1000 werd er een kleinere tufstenen kerk aan het Martinikerkhof gebouwd. Restanten van deze eerste stenen kerk zijn tijdens restauratiewerkzaamheden teruggevonden in de fundamenten van de huidige kerk. De eerste (tuf)stenen kerk bleek al snel te klein te zijn en zo rond het jaar 1220 werd begonnen met de bouw van een grotere kerk – uitgevoerd in baksteen – in een laat-romaanse stijl. Van deze bouwfase zijn nog verschillende sporen in de huidige kerk aanwezig. Voorbeelden daarvan zijn de ronde vensters en het siermetselwerk (te zien aan de buitenkant van de kerk) in de noord- en zuidgevel van het schip. Ik heb thuis een reproductie van het stadszegel van Groningen uit 1245. Zowel op het originele zegel als op de reproductie is een afbeelding te zien van de toenmalige Martinikerk. We weten dus hoe de Martinikerk er in 1245 heeft uitgezien, daar hebben we – dankzij het bewaard gebleven stadszegel – een duidelijk beeld van.
Deze en ook de afbeelding hieronder zijn merkjes van vaklieden die werkzaamheden aan de gewelven van de Martinikerk hebben uitgevoerd.
De Martinitorens
Er bestaat een afbeelding van de Martinikerk uit de 13e eeuw. Op die afbeelding is te zien dat de toren binnen de muren van de eigenlijke kerk is gebouwd (in plaats van los van de kerk, of er tegenaan geplaatst). Op 26 juni 1468 gebeurde het ondenkbare. Tijdens de bouwwerkzaamheden stortte de toren in en beschadigde daarmee ook de nieuwe westelijke gewelven van de kerk. De toren zoals wij die tegenwoordig kennen werd tussen 1470 en 1550 westelijk van de kerk gebouwd. Door deze aanpassing kon de Martinikerk naar het westen (richting de huidige Martinitoren) worden uitgebreid. De twee massieve ronde zuilen/pijlers tegenover het hoofdorgel zijn opgebouwd op de oorspronkelijke fundamenten van de ‘eerste’ Martinitoren. Een brand veroorzaakte dat de toren het tussen 1577 en 1627 zonder torenspits moest doen, ook hier zijn afbeeldingen van. De houten boevenbouw van de Martinitoren – die de hoogte van de toren op ruim 97 meter brengt – werd in 1627 gebouwd. In 1798 werd in de Nationale Vergadering besloten dat de toren eigendom van de burgerlijke gemeente Groningen zou worden.
Detail van de kaart van Geelkerken uit 1616: de spits van de Martinitoren ontbreekt. – Beeld: collectie Groninger Archieven
Van romaans naar gotisch
Tijdens de 15e eeuw ontwikkelde de stad Groningen zich tot een belangrijke handelsplaats. De welvaart nam behoorlijk toe en een van de gevolgen daarvan was een toenemend aantal inwoners. Het gevolg daarvan was dat de Martinikerk opnieuw te klein werd bevonden. Het was noodzakelijk om de kerk opnieuw uit te breiden. De romaanse stijl was ondertussen vervangen door een gotische stijl. De kerk werd daarom in gotische stijl uitgebreid met behoud van de romaanse elementen. De technische mogelijkheden waren ondertussen groter geworden, ook qua bouwen. Het werd mogelijk hoger te bouwen en grotere vensters in de muren aan te brengen. Daardoor werd het interieur van de kerk veel lichter. Het oude koor van de Martinikerk werd aan het begin van de 15e eeuw vervangen door een hoog, licht koor. Door alle bouwkundige aanpassingen veranderde de kerk in een zogenaamde hallenkerk. Ten noorden van het koor werd in de 16e eeuw een kapel in laatgotische stijl gebouwd.
Restauratie naar de situatie in de 15e eeuw
Tijdens de laatste restauratie van de Martinikerk (tussen 1962 en 1975) zijn het schip en het koor van de kerk teruggebracht naar de situatie van rond 1460. Verschillende elementen uit de laat-romaanse periode zijn tijdens deze restauratie hersteld of opnieuw aangebracht. Natuurlijk zijn er in latere eeuwen ook minder fraaie veranderingen gedaan; deze zijn voor het grootste deel ongedaan gemaakt. De rechte daklijst van het schip van de kerk, daterend uit 1688, werd tijdens deze restauratie vervangen door dwarskappen zoals die op verschillende gravuren van vóór 1688 te zien zijn. Tijdens de restauratie die tussen 1962 en 1975 plaats vond zijn in de Martinikerk schilderingen uit drie belangrijke en verschillende bouwperiodes van de kerk opnieuw blootgelegd. Een paar voorbeelden zijn: [1] de gewelven van het schip van de kerk zijn versierd met fresco’s (schilderingen op de nog natte kalk) uit de 13e, de 15e en de 16e eeuw. [2] Afbeeldingen van verschillende heiligen worden afgewisseld door allerlei figuratieve voorstellingen en plantmotieven. [3] In het koor bevindt zich een bijzondere serie van veertien schilderingen uit circa 1545. Daar is het leven van Christus uitgebeeld door een onbekende 16e-eeuwse schilder. Hij gebruikte daarbij de zogenaamde secco-techniek waarbij de schildering op een droge kalklaag wordt aangebracht. Deze schilderingen werden in 1923 bij toeval ontdekt toen het koor opnieuw zou worden gewit.
Een tekst uit Jesaja 62, vers 5: ‘Zoals een bruidegom zich verblijdt over zijn bruid, zo zal uw God Zich over u verblijden’.
Een van de schilderingen in de gewelven van de Martinikerk. Maria (met het kindje Jezus op de arm), geflankeerd door twee heiligen. Het zijn Cosmas en Damianus, de beschermheiligen van de medici. Damianus houdt een pisfles tegen het licht om zo een diagnose te kunnen stellen. Bron: Groningen 1040; Archeologie en oudste geschiedenis van de stad Groningen, bladzijde 271.
Bij opgravingen op het Martinikerkhof wat de rand van een pisfles een opvallende vondst. Deze flessen zijn, door hun dunne glas, zeer breekbaar en zijn dan ook zelden bewaard gebleven. Zo’n urinaal werd gebruikt om de ochtendurine van een zieke naar de dokter te brengen. Om de fles te beschermen werd hij dan in een rieten mand verpakt. De doctor medicinae hield de fles dan tegen het licht om de kleur, het eventueel aanwezige bezinksel en de samenstelling te bekijken en de geur te ruiken. Zo dacht men de verschillende ziekten in de organen te kunnen vaststellen. De urine was immers ontstaan door allerlei processen binnen het lichaam. Een gezond iemand moest een evenwichtige menging van de vier lichaamsvochten hebben: bloed, slijm, gele gal en zwarte gal. Bron: Groningen 1040; Archeologie en oudste geschiedenis van de stad Groningen, bladzijde 271.
Inventaris
De oorsprong van de preekstoel van de Martinikerk is te vinden in de 16e eeuw. Het huidige uiterlijk van de preekstoel is het gevolg van ingrijpende aanpassingen in de 19e eeuw. Het was gebruikelijk om in verschillende dorpskerken herenbanken aan te treffen; soms versierd met prachtig houtsnijwerk. In de stad Groningen waren de burgemeesters en de raad van de stad de baas. In 1560 hadden zij hun eigen ‘herenbanken’. Deze herenbanken werden in 1628 vernieuwd. Het gevolg van die aanpassing was dat de burgemeester en de raad van de stad hoger zaten dan dat de predikant op de preekstoel stond. Men keek dus duidelijk neer op de predikant. Duidelijk werd daarmee wie de baas was… De Staten van Stad en Lande besloten in 1664 een eigen ‘herenbank’ te laten maken. Deze ‘herenbank’ kreeg uiteraard dezelfde hoogte als die van het stadsbestuur van Groningen. Beide ‘herenbanken’ staan tegen de noordmuur van de kerk met een hoge staande klok er tussen in.
Hoofdorgel
Behalve om de serie schilderingen in het koor is de Martinikerk ook beroemd vanwege het prachtige hoofdorgel. De bouw van het orgel in de Martinikerk begon rond 1480. Bij de eerste bouwfase was de humanist Rudolf Agricola als adviseur betrokken. De ontwikkeling van het orgel kende haar hoogtepunt in de 18de eeuw nadat het achtereenvolgens door Arp Schnitger, diens zoon Franz Casper en Albertus Hinsz was uitgebreid. Tijdens de grote restauratie van het orgel (die werd voltooid in 1984) is de situatie van 1740 als uitgangspunt genomen. Met zijn 3500 pijpen en 53 registers is het orgel van de Martinikerk één van de grootste Noord Europese barokorgels.
Koororgel
Kort voor de Tweede Wereldoorlog werd de koorruimte van de Martinikerk geschikt gemaakt voor het houden van kerkdiensten. Vervolgens ontstond de (logische) wens om ook een orgel in de koorruimte van de kerk te plaatsen. Voor een bedrag van 150 gulden werd in de provincie Limburg, in Heythuysen, een orgel gekocht dat oorspronkelijk afkomstig was uit het klooster van Nunhem in de buurt van Roermond. Het huidige koororgel bevond zich dus in de buurt van Roermond. Het rugpositief kwam echter van een groter orgel dat in 1744 werd voltooid en gebouwd was door een orgelbouwer uit het geslacht Le Picard. In de Franse tijd werd het klooster opgeheven, het Grand Orgue verhuisde naar Roggel (waarna het uiteindelijk verdween) en het Positif naar Heythuysen. De firma Verschueren heeft het orgel in 1939 overgeplaatst en hersteld. Na de restauratie van de Martinikerk is het orgel lange tijd gedemonteerd geweest en daardoor buiten gebruik, maar in 2001 vond de her ingebruikname plaats, na een zorgvuldige restauratie door de firma Verschueren te Heythuisen. Het pijpwerk, de windvoorziening en het speel- en registermechaniek daarbij zijn hersteld en voor zover dat nodig was vernieuwd. Daarbij is niet alleen gebruik gemaakt van pijpwerk uit de bouwtijd maar ook van aanvullingen die tijdens een restauratie in 1847 aangebracht werden. Het koororgel is een fraai voorbeeld van Frans-Waalse orgelbouw uit de Louis XV periode, en uniek in het noorden van Nederland.
♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦
Hoewel het al ruim 11 jaar geleden is dat ik over de gewelven van de Martinikerk heb gewandeld moet ik elke keer als ik in de kerk ben (en dat is elk jaar een paar keer) weer terugdenken aan een fascinerende wandeling met een gids met kennis van zaken en die – en dat is niet onbelangrijk – ook een goede verteller bleek te zijn. Deze excursies worden nog steeds georganiseerd; het is de moeite waard daar eens naar te kijken. Er was destijds ook een soortgelijke excursie in de Martinitoren, maar vanwege een iets te grote dosis hoogtevrees durf ik dat niet aan. Wat de Martinitoren betreft blijft het voor mij bij fantaseren over indrukwekkende vergezichten en allerlei prachtige zaken met veel Groninger geschiedenis…
Onderaan de post is een blokje waar u een reactie achter kunt laten. Ik stel dat zeer op prijs! U wordt gevraagd om een mailadres. Dit mailadres wordt niet gepubliceerd, maar stelt mij – als beheerder van deze site – in staat om te reageren op uw reactie. Het is ook mogelijk je te abonneren op Birdeyes. Kijk daarvoor op de homepagina van deze site en laat je mailadres achter. Je krijgt dan een berichtje als er een nieuwe post is geplaatst.
Ik ben voornamelijk geïnteresseerd in traditionele folk- en countrymuziek, Groninger (cultuur)geschiedenis, en allerlei buitengebeuren. Vroeger trok ik er vaak op uit om meerdaagse fietstochten te maken, tegenwoordig fiets ik meer in de omgeving van de stad Groningen. In de jaren 80 van de vorige eeuw begon ik foto's te maken van de verschillende (huis)concerten die ik bezocht. Een paar jaar geleden heb ik al mijn oude negatieven gedigitaliseerd. Deze website kwam tot stand vanuit de wens iets met de toen gedigitaliseerde negatieven te doen...
Facebook reacties