Onlangs gebruikte ik een opname van de song ‘Amelia Earhart’s last flight’ van ‘Red River Dave’ McEnery in één van de afleveringen over Dick Staber. Ik had nog nooit eerder van ‘Red River Dave’ McEnery gehoord, maar kwam de naam van de man tegen in de ruwe tekst die ik via Bert Nobbe van Dick Staber had ontvangen. Ik was behoorlijk onder de indruk van ‘Red River Dave’ McEnery’s opname van z’n eigen song. Ik vind het altijd leuk om wat na te mijmeren over dingen die ik geschreven heb en zat me – een paar dagen later – af te vragen of er een specifieke (sub)categorie is van songs die ongelukken en rampen als onderwerp hebben. Dat blijkt zo te zijn, en eigenlijk wist ik dat ook wel, want veel van de voorbeelden die ik ik aantrof in mijn bibliotheek en mijn muziekverzameling gaven dat immers wel aan. Toch lijkt mij een en ander interessant genoeg om er een wat langere post aan te wijden. De eerder genoemde (sub)categorie blijkt ook een naam te hebben. We spreken dan over Countrymuziekrampenballades. Dat is een historische, diepgewortelde verteltraditie die verslag doet van echte of allegorische rampen, en dienen als muzikale journalistiek om gemeenschappen te helpen rouw te verwerken. Typische kenmerken van rampenballades zijn de gedetailleerde verhalen; ze beschrijven nauwkeurig wat er gebeurde, wie er betrokken waren en hoe de gemeenschap rouwde. Ze bevatten morele lessen; vaak wordt er gewaarschuwd voor de onvoorspelbaarheid van de natuur en voor de kwetsbaarheid van het menselijk leven. Doorgaans hebben rampenballades een akoestische instrumentatie; de songs worden traditioneel gebracht met een sobere akoestische begeleiding op gitaar of banjo, de rampenballades zijn eigenlijk puur gericht op de zang. De songs richten zich traditioneel op drie hoofdcategorieën van rampspoed: transportongevallen, industriële ongelukken en meedogenloze natuurrampen. De meestervertellers van het genre hebben deze historische tragedies gedocumenteerd in verschillende iconische nummers. Ik ben in deze post van plan om vier verschillende aspecten te belichten; [1] wie was ‘Red River Dave’ McEnery eigenlijk? [2] Iets beter te kijken naar de song ‘Amelia Earhart’s last flight’. [3] me iets meer te richten op de persoon Amelia Earhart; [4] Hoe zit dat dan met de verdere indeling van songs in de ‘drie hoofdcategorieën van rampspoed’ zoals we eerder in deze alinea lazen?

Wie was ‘Red River Dave’ McEnery eigenlijk?
‘Red River Dave’ McEnery (1914–2002) was een legendarische countryzanger uit San Antonio, Texas, die uitgroeide tot de ultieme ‘muzikale journalist’ van de countrymuziek. Als excentrieke showman, cowboy-traditionalist én songwriter van actuele liedjes, besteedde hij meer dan zestig jaar aan het transformeren van het laatste nieuws in directe volkshistorie. Zijn carrière valt op door verschillende fascinerende mijlpalen en ongebruikelijke excentriciteiten: geboren als David Largus McEnery, groeide hij op geïnspireerd door de vroege countrypionier Vernon Dalhart. Nadat hij op 16-jarige leeftijd van huis wegliep om op goederentreinen te springen en als passerende landarbeider te werken, verdiende hij zijn levenslange bijnaam door op de radio in Virginia vaak het klassieke cowboy-volksliedje ‘Red river valley’ te zingen. Hij was een meester in zelfpromotie. In 1936 verzorgde hij een succesvolle live-uitzending waarin hij jodelliedjes zong vanuit een Goodyear-zeppelin die boven Miami vloog. Hij was ook een tv-pionier. Zijn optreden met ‘Amelia Earhart’s Last Flight’ op de Wereldtentoonstelling van New York in 1939 was niet zomaar een hit; het wordt algemeen beschouwd als de allereerste commerciële countrymuziekuitzending op televisie.
‘Red River Dave’ McEnery was de koning van de ‘instant’ actuele liedjes. Waar de meeste artiesten over liefde of liefdesverdriet schreven, schreef ‘Red River Dave’ over actuele gebeurtenissen. Hij had het onwaarschijnlijke talent om een nieuwsuitzending te horen, er een gedetailleerd lied over te schrijven en het bovendien binnen enkele uren op te nemen. Om zijn extreme snelheid te bewijzen, deed hij ooit mee aan een publiciteitsstunt bij het radiostation WOAI in San Antonio, waar hij met handboeien aan een piano werd vastgezet en erin slaagde om in een tijdsbestek van 8 uur 52 nummers te schrijven en te arrangeren. ‘Red River Dave’ McEnery had een bizar breed oeuvre. Tijdens zijn leven schreef hij ballads over het U-2-spionagevliegtuigincident uit 1960 (‘Ballad of Francis Powers’), de moorden door Charles Manson (‘California hippie murders’), de ontvoering van Patty Hearst, en zelfs een bijtend protestlied tegen de inflatie door grote bedrijven, genaamd ‘Shame is the middle name of Exxon’. Naarmate het klassieke ‘zingende cowboy’-tijdperk vervaagde, werden McEnery’s excentrieke trekjes alleen maar sterker. Na het overlijden van zijn vrouw in 1974 probeerde hij een kerk te beginnen in Nashville, waar hij preken hield die volledig in het CB-radiojargon van de jaren ‘70 werden uitgesproken. Ook bracht hij zijn latere jaren door met het maken van landschapsschilderijen. Hoewel veel van zijn hyper-specifieke liedjes in de vergetelheid raakten, legde zijn methode om nationale schokken te verwerken via razendsnel songschrijven de basis voor hoe de moderne countrymuziek grote culturele verschuivingen behandelt.

We kijken iets beter naar de song ‘Amelia Earhart’s last flight’
‘Amelia Earhart’s last flight’ is de absolute basis van de luchtramp-ballade binnen de countrymuziek. Het nummer werd in 1937 geschreven door countryzanger ‘Red River Dave’ McEnery, die er in 1939 het auteursrecht op kreeg. Het was het allereerste lied dat werd gecomponeerd over haar tragische verdwijning. De song past perfect binnen de blauwdruk van de traditionele rampenballade en is tegelijkertijd baanbrekend in de manier waarop countrymuziek omgaat met verliezen in de luchtvaart. Dit gebeurt op basis van een aantal duidelijke kenmerken: Muzikale journalistiek en actuele snelheid. Net als de vroege ballades over treinwrakken, functioneerde dit nummer als directe muzikale journalistiek. McEnery schreef het kort nadat Earhart op 2 juli 1937 boven de Stille Oceaan verdween. Door het uit te voeren tijdens een vroege televisie-uitzending op de Wereldtentoonstelling van 1939 in New York, vestigde McEnery een countrytraditie: het vastleggen van een actuele ramp in de echte wereld en deze transformeren tot folklore nog voordat het stof – of in dit geval het oceaanwater – was neergedaald.
Trouw aan de verhalende wortels van het genre, beschrijven de coupletten de specifieke logistiek van de noodlottige gebeurtenis tot in detail: de song noemt expliciet haar navigator, ‘Captain Noonan’. De song legt de datum van de ramp vast: ‘the second of july’. De song benoemt de vermoedelijke oorzaak van het ongeluk: ‘although the fuel within the tanks was low’. De song vermeldt hun bestemming: ‘land on Howland Island to refuel her monoplane’. In vroege ballades over de industrie en transportmiddelen werd de dood vaak geplaatst in een intens religieus kader om troost te bieden aan de arbeidersklasse. McEnery leunt hier sterk op door van de crash een hemelse promotie te maken. Het refrein verlegt de focus van de diepten van de oceaan naar een hemelse landingsbaan: ‘There’s a beautiful, beautiful field / Far away in a land that is fair / Happy landings to you, Amelia Earhart / Farewell, first lady of the air’.
Interessant genoeg druist het lied in tegen de moderne verwachtingen van een weemoedige klaagzang. Net als de uptempo, door viool en banjo gedreven melodieën van klassieke liedjes over treinrampen, wordt ‘Amelia Earhart’s last flight’ traditioneel uitgevoerd als een vrolijk, opgewekt country-westernnummer inclusief gejodel. Deze muzikale ironie kwam veel voor in de vroege countrymuziek; het koppelt verwoestend nieuws aan energieke ritmes om de moed erin te houden tijdens een gemeenschappelijke tragedie. Dankzij de sterke basis groeide het nummer uit tot een country-folk klassieker, die later veelvuldig gecoverd werd door artiesten variërend van Kinky Friedman tot de Britse folkrockgroep Plainsong.

Wie was Amelia Earhart eigenlijk?
Amelia Earhart was een legendarische Amerikaanse vliegenier, auteur en voorvechter van vrouwenrechten die uitgroeide tot een van de meest gevierde iconen van de 20e eeuw. Ze is vooral bekend als de eerste vrouw die solo en non-stop over de Atlantische Oceaan vloog. Haar historische erfenis is diep verweven met haar mysterieuze verdwijning in 1937. Haar leven, prestaties en het aanhoudende mysterie van haar laatste vlucht omvatten verschillende definitieve hoofdstukken: [1] Een baanbrekende carrière in de luchtvaart. [1.1] Amelia Earhart vloog niet alleen in vliegtuigen; ze doorbrak actief de genderbarrières van een zwaar door mannen gedomineerde industrie. [1.2] De Atlantische doorbraak: In 1928 verwierf ze internationale roem als de eerste vrouw die per vliegtuig de Atlantische Oceaan overstak, hoewel aanvankelijk als passagier. Gefrustreerd omdat ze door haar mannelijke collega’s ‘bagage’ werd genoemd, snoerde ze sceptici de mond op 20–21 mei 1932 door met succes solo van Newfoundland naar Noord-Ierland te vliegen in haar rode Lockheed Vega. [1.3] De recordbreker: Ze werd de eerste persoon die solo van Hawaï naar het Amerikaanse vasteland vloog en vestigde in de jaren 1920 en 1930 meerdere snelheids- en hoogterecords voor vrouwen. [1.4] Opkomen voor vrouwen: Amelia Earhart gebruikte haar enorme bekendheid om op te komen voor vrouwen in het hoger onderwijs en technische beroepen. Ze was medeoprichter en de eerste voorzitter van de ‘Ninety-Nines’, een internationale organisatie voor vrouwelijke piloten die vandaag de dag nog steeds bestaat. [2] De noodlottige laatste vlucht. In juni 1937 probeerde Amelia Earhart de eerste vrouw te worden die rond de aarde vloog. Ze volgde een uitputtende route langs de evenaar van bijna 40.000 kilometer.


Samenvattend:
De laatste vlucht van Amelia Earhart is opmerkelijk omdat ze tijdens haar ambitieuze poging om als eerste vrouw rond de wereld te vliegen spoorloos verdween. Zij was de tweede persoon (na Charles Lindbergh) en de eerste vrouw die solo over de Atlantische Oceaan vloog. Destijds was dat wereldnieuws! Haar verdwijning op 2 juli 1937 veranderde een grensverleggende recordpoging in een van de grootste en meest hardnekkige mysteries uit de moderne geschiedenis. Amelia Earhart wilde niet alleen de wereld rondvliegen, ze koos voor een extreem uitdagende route rond de evenaar van circa 47.000 kilometer. Ze had samen met haar navigator Fred Noonan al meer van 35.000 kilometer afgelegd. Ze verdwenen tijdens een van de laatste, gevaarlijkste etappen boven de Stille Oceaan. Het doel van de etappe was Howland Island, een minuscuul stukje land in de oceaan. Radiomissies lieten achteraf zien dat Amelia Earhart waarschijnlijk boven een dik wolkendek vloog en het eiland niet kon zien. Het Amerikaanse kustwachtschip Itasca kon haar radiosignalen wel opvangen, maar Amelia Earhart kon de antwoorden van het schip niet horen. Haar laatste berichten gaven aan dat de brandstof bijna op was. Allemaal redenen die een mooie ballade rechtvaardigen.

Rampenballades
Menselijke oorzaken: trein- en auto-ongelukken
De vroege country- en Appalachian folkmuziek richtte zich vaak op de grote gevaren van een te snelle modernisering, wat de ‘treinramp’ tot een fundamenteel country-motief maakte. Treinrampen kenmerken zich natuurlijk ook door – vaak – kleinere oorzaken met enorme gevolgen.

Wreck of the old 97’ (in eerste instantie populair gemaakt door Vernon Dalhart): Deze opname uit 1924 werd de allereerste miljoenen-verkopende single van de countrymuziek. Historici hebben vastgesteld dat de song voorafgaand aan 1937 al 21 keer door verschillende artiesten werd opgenomen. Het was destijds de B-kant van ‘The prisoner’s song’. Het vertelt in groot detail het waargebeurde verhaal van een sneltrein die in 1903 op een brug bij Danville, Virginia, ontspoorde en in een ravijn stortte.
![]()
Wreck on the Highway’ is een van de bekendste en meest invloedrijke nummers in de traditionele country- en bluegrassmuziek, gepopulariseerd door Roy Acuff in het begin van de jaren 40. Het nummer is oorspronkelijk geschreven en gecomponeerd in 1937 door de Noord-Carolina fabrieksarbeider en muzikant Dorsey Dixon. Hij schreef het lied nadat hij getuige was geweest van een ernstig auto-ongeluk in de buurt van Rockingham, North Carolina. Het lied vertelt het grimmige en aangrijpende verhaal van een zwaar auto-ongeluk op de snelweg. Het waarschuwt voor de gevaren van alcoholmisbruik (‘whiskey and blood run together’) en de morele les dat het leven plotseling kan eindigen. Het refrein focust op het feit dat er werd gebeden voor de slachtoffers, maar dat het individu zich afvraagt waarom hij niemand hoorde bidden voor de ziel van de overledenen (‘But I didn’t hear nobody pray’). Roy Acuff nam het nummer op in 1942 en bracht het uit als ‘Wreck on the highway’ (Dorsey Dixon’s originele titel was ‘Didn’t hear nobody pray’). Roy Acuff’s versie werd een enorme hit en een mijlpaal in zijn carrière. Omdat Roy Acuff het lied overnam en de oorsprong ervan was vergeten, claimde hij aanvankelijk zelf het schrijverschap. Dorsey Dixon spande met succes een rechtszaak aan, wat leidde tot een schikking waarbij hij de copyrights en de royalty’s terugkreeg. Het nummer heeft veel artiesten geïnspireerd en gecoverd. Zo namen The Louvin Brothers een legendarische versie op, en is het een iconische song in de bluegrass- en gospeltradities. Naast Roy Acuff is het gecoverd door grootheden als George Jones en de Nitty Gritty Dirt Band. Verwar het niet met het gelijknamige nummer van Bruce Springsteen uit 1980, dat thematisch over een heel ander soort ‘wrak’ in het leven gaat.
Menselijke oorzaken: mijn- en industriële rampen.
Omdat countrymuziek ook nauw is verbonden is met de geschiedenis van de arbeidersklasse, vormen industriële catastrofes – met name instortingen in kolenmijnen – een belangrijk sub genre.

‘Springhill disaster’ door Bill Clifton. Dit is een van de meest pure rampenballades uit zijn carrière. Het lied vertelt het tragische en waargebeurde verhaal van de mijnramp in Springhill (Nova Scotia, Canada) op 23 oktober 1958, waarbij een zware ondergrondse schok (‘the bump’) tientallen mijnwerkers gevangen zette en het leven kostte aan 75 mensen. Bill Clifton werd zo persoonlijk geraakt door het nieuws dat hij direct contact telefonisch zocht met Maurice Ruddick, een van de overlevende mijnwerkers die bekendstond als de ‘zingende mijnwerker’. Maurice Ruddick lag in het Springhill Miners Hospital en stuurde hem binnen 24 uur een gedicht over de ramp. Bill Clifton bewerkte dit tot het nummer ‘Springhill disaster’ en nam het al op 7 november 1958 op, slechts een week nadat de laatste overlevenden waren gered.
There’s a hard luck mining town in Nova Scotia, whose glory is sad with fame,
It’s been hit by explosions, fires and bumps, everyone’s heard of Springhill’s name.
We recall the day we made our way, without a thought of dread,
We rode way down to our shaft underground, to earn our daily bread.
That day on October 23rd at 8 o’clock, Springhill rocked.
We recall not too much after that, most of us were down and trapped,
While rescuers toiled in vain to aid us miners wracked in pain.
Hear and listen to our plea, after days of torture our prayers came through,
Thanks to the aid of old friends and new.
Many are the thanks we extend to all, in answer to our Saviour’s call.

Met toestemming breidde Clifton het gedicht uit met lokale vrienden en muzikanten, Paul Clayton en Sonny Pembroke. Binnen een paar uur wisten ze er een ballade van zes coupletten van te maken. Hierbij behielden ze zowel het centrale thema van Maurice Ruddick als zijn zin die Bill Clifton als eerste inspireerde: ‘give me some water and I’ll sing you a song’. Volgens Neil Rosenberg namen Clifton en een lid van zijn band, de Dixie Mountain Boys, ‘The Springhill Mine Disaster’ op in Nashville op 5 november 1958. Dit was de dag voordat het laatste lichaam uit de Springhill-mijn werd gehaald. Het nummer werd meteen uitgebracht in zowel Canada als de Verenigde Staten. Het werd veel gedraaid op de radio in Halifax en stond in de hitparade van ‘Western Airs’ op CHNS. Maurice Ruddick trad ook op in de Ed Sullivan Show, hoewel het niet bekend is of hij dit lied daar ten gehore bracht. Maurice Ruddick staat vermeld als medeauteur van het nummer en schonk zijn deel van de royalty’s aan een fonds voor de families van de mannen die bij de ramp omkwamen. Maurice Ruddick, een 46-jarige Afro-Canadees, was een van de laatste zeven mijnwerkers die levend werden teruggevonden na de ‘bump’ (instorting door seismische druk) op 23 oktober 1958 in mijn nr. 2 van de Cumberland-mijnen in Springhill, Nova Scotia. Maurice Ruddick stond bekend om het schrijven van zijn eigen liedjes en trad op met een lokaal kwartet. In de hele mijn was hij bekend als entertainer die de mijnwerkers vermaakte tijdens hun rustpauzes en ritten in de mijnkarretjes. Met zijn composities en liefde voor muziek wist Maurice Ruddick een gevoel van saamhorigheid en gebed te creëren onder zijn mede-mijnwerkers en de omliggende gemeenschap. Ondanks de felle strijd met een gebroken been door de ingestorte mijnschacht, deed Maurice Ruddick er alles aan om de moed van zijn metgezellen erin te houden door hen voor te gaan in verschillende liederen en gebeden tijdens het wachten op hun redding. Terwijl hij vastzat in de mijn, begon Ruddick met het schrijven van het gedicht ‘Springhill disaster’. Hierbij dacht hij aan het kwartet en aan de mogelijkheid om het nummer uit te brengen voor publicatie en uitzending. De song werd voor het eerst uitgebracht op deze Starday-LP van Bill Clifton.

![]()
‘West Virginia mine disaster’ is een aangrijpende en historische folk-ballade geschreven en gezongen door de legendarische Amerikaanse folksinger-songwriter Jean Ritchie. Het nummer werd uitgebracht in 1971 en geldt als een van de meest indrukwekkende protest- en cultuurliederen over de Noord-Amerikaanse mijnindustrie. Jean Ritchie schreef het nummer naar aanleiding van een mijnramp in Hominy Falls, West Virginia (1968). Hierbij raakten 21 mijnwerkers opgesloten na een plotselinge overstroming van de mijn; vier van hen kwamen om het leven. Soms wordt het nummer ook geassocieerd met de grotere Farmington-mijnramp uit datzelfde jaar. Jean Ritchie koos bewust voor een uniek en emotioneel zwaar invalshoek. Het lied is geschreven vanuit het perspectief van een vrouw die aan haar kinderen moet uitleggen dat hun vader wellicht nooit meer thuiskomt uit de mijn. Het nummer wordt traditioneel a cappella (zonder instrumenten) of enkel begeleid door een Appalachian dulcimer (een traditioneel snaarinstrument) gezongen. Dit versterkt de ijzingwekkende en intieme sfeer. Het nummer opent met de herkenbare regels waarin de echtgenoot wordt beschreven die ’s ochtends vroeg naar zijn werk vertrekt: ‘Say did you see him going? / it was early this morning / He passed all your houses on his way to the coal / He was tall, he was slender, and his dark eyes so tender / His occupation was mining – West Virginia, his home’. Halverwege het lied rent een dorpsgenoot (Ben Mosely) naar het huis om te vertellen dat ‘mine number 8’ is overstroomd en dat de mannen zijn ingesloten. Jean Ritchie (vaak de ‘Mother of folk’ genoemd) gebruikte haar muziek als een milde maar krachtige vorm van protest tegen de gevaren van de mijnbouw en de vernietiging van de natuur in de Appalachen. Het nummer is door de jaren heen door diverse artiesten gecoverd en live uitgevoerd.
![]()

‘Explosion in the Fairmount Mines’ is een historisch Amerikaans folk- en bluegrasnummer geschreven en voor het eerst opgenomen door de blinde muzikant Blind Alfred Reed in de jaren ‘20 van de vorige eeuw. Het nummer vertelt het tragische verhaal van de grootste mijnramp uit de geschiedenis van de Verenigde Staten. Het lied is gebaseerd op de Monongah-mijnramp op 6 december 1907 in Monongah, West Virginia. Een enorme explosie, veroorzaakt door methaangas en kolenstof, scheurde door de mijnen nummer 6 en 8 van de Fairmont Coal Company. Officieel kwamen er 362 mijnwerkers om het leven. Omdat destijds veel arbeiders illegaal hun kinderen of familieleden meenamen om te helpen, schatten historici het werkelijke aantal doden vaak boven de 400. Karakteristiek voor rampenballades (disaster ballads) uit die tijd, gebruikt het nummer een emotioneel en waarschuwend verhaal in plaats van een puur feitelijk verslag. Het lied opent met een mijnwerker die ’s ochtends vroeg naar zijn werk wil gaan. Zijn dochtertje wordt gillend wakker uit een nachtmerrie en smeekt hem thuis te blijven. Ze droomde dat de mijn in brand stond en dat alle mannen vochten voor hun leven. ‘Daddy, please don’t go down in that hole today, / For my dreams do come true, sometime, you know. / Oh, don’t leave me, daddy, please don’t go away, / Something bad sure will happen, do not go’. Blind Alfred Reed nam het nummer op tussen 1927 en 1929 voor RCA Victor tijdens de beroemde Bristol Sessions (de bakermat van de commerciële countrymuziek). Blind Alfred Reed zong het nummer onder begeleiding van zijn eigen viool (fiddle) en zijn zoon Arville op gitaar.
Natuurlijke oorzaken: overstromingen, stormen en natuurkrachten.
Songschrijvers omschrijven natuurrampen vaak als gelijkmakers, die de rauwe kwetsbaarheid vastleggen van plattelandsgemeenschappen die geconfronteerd worden met onvoorspelbaar weer.

‘The cyclone of Rye Cove’ is een erg aangrijpende song van The Carter Family. Het vertelt over de dodelijkste tornado uit de geschiedenis van Virginia. Op 2 mei 1929 werd een houten school in het landelijke Rye Cove volledig verwoest. Hierbij kwamen twaalf leerlingen en één lerares om het leven. A.P. Carter was destijds in de buurt, haastte zich naar de plek om te helpen en schreef vervolgens dit tragische nummer. Het lied werd op 22 november 1929 opgenomen. De gebeurtenis en het lied kennen een aantal opmerkelijke details. De tornado trof de school net na de pauze, waarbij het gebouw door de wind werd weggevaagd. Er vielen 13 doden en 54 gewonden. In de originele tekst van het lied wordt het woord ‘tornado’ bewust niet gebruikt. Destijds werd de term in weerberichten vaak gecensureerd uit angst voor paniek. Het nummer opent met de regel ‘Oh listen today in a story I tell / in sadness and tear dimmed eyes’ en bevat aangrijpende smeekbedes van de kinderen. De ongewoon hevige storm raasde door het smalle dal omhoog en trof de gemeenschap van Rye Cove om één uur ’s middags op 2 mei 1929. Het schoolgebouw, een gebouw van twee verdiepingen met zeven kamers, stond recht in zijn pad. Het schoolhoofd, A. S. Noblin, zei in de Newport News Daily Press dat het allemaal zonder waarschuwing gebeurde. ‘Ik liep door de gang toen ik iets zag wat leek op een wervelwind die door het dal omhoogkwam’, zei Noblin. ‘Bomen wiegden heen en weer. Toen de wind het schoolgebouw naderde, werd het een zwarte wolk … Ik geloof dat ik gilde. Het trof het gebouw. Het volgende dat ik me herinnerde, was dat ik tot mijn knieën in een vijver stond, op 75 voet (dat is ongeveer 23 meter) van de plek waar het gebouw stond voordat het werd verwoest’. De cycloon sloeg vlak na de middagpauze toe en er bevonden zich meer dan 150 leerlingen en leraren binnen. Het houten gebouw werd volledig verwoest. De storm ontwortelde bomen, rukte de daken van de gebouwen, vernielde een koelhuisje (bronhuis) en een meelmolen en blies de winkel van J. B. Stone – iets verderop in de straat van de school – leeg. De schappen werden schoongeveegd van kruidenierswaren, gereedschap, garen en snoep. Een stapel hout bij de school werd door de wind de lucht in getild en meubilair van een nabijgelegen huis werd vier mijl (dat is circa 6½ kilometer) ver weg geblazen. Het puin lag verspreid over een gebied van een kwart mijl breed en meer dan drie mijl lang. William D. Smith, de directeur van de scholen in Scott County, arriveerde een uur nadat de tornado had toegeslagen in Rye Cove. Hij ontdekte al snel dat het enige exemplaar van de aanwezigheidslijst van de school was vernietigd, waardoor er geen systematische manier was om de vermiste, gewonde en overleden leerlingen te registreren terwijl de regen naar beneden stroomde en paniekerige ouders bij de school aankwamen. Middelbare schooljuf Elizabeth Richmond vertelde de Kingsport Times dat ‘het gebouw met een harde klap instortte’, slechts een paar seconden nadat de wind begon te loeien. Er was geen gelegenheid om dekking te zoeken. Naderhand droegen degenen die daartoe in staat waren de doden en gewonden naar nabijgelegen huizen en schuren, maar de wind en regen maakten hun taak zwaar. Twaalf leerlingen, in de leeftijd van zes tot achttien jaar, kwamen om het leven, samen met één lerares: Mary Ava Carter, een vierentwintigjarige juf van de eerste klas die kort daarvoor was afgestudeerd aan het Radford State Teachers College. Haar lichaam werd op bijna zeventig meter van de school gevonden. Na de ramp bracht een speciale hulpverlenings-trein enkele gewonden naar Clinchport voor behandeling. Anderen werden per ambulance naar Bristol en Kingsport in Tennessee vervoerd. De weg vanuit Rye Cove was smal, bochtig en slechts gedeeltelijk verhard, waardoor het moeilijk was om overlevenden weg te halen en hulpverleners ter plaatse te krijgen. Onder degenen die zich naar Rye Cove haastten om te helpen, bevond zich A. P. Carter, geboren in Scott County, lid van het countrymuziektrio The Carter Family en een productief songwriter. Hij was op de dag van de storm in het naburige dal. A.P. Carter was diep geraakt door de verschrikkingen die hij zag en componeerde al snel het lied ‘The cyclone of Rye Cove’. De Carter Family nam het nummer datzelfde jaar nog op voor RCA Victor. Het jaarverslag van de hoofdinspecteur van openbaar onderwijs voor 1928–1929 bevatte een paar feiten over de school: vijftig leerlingen waren ingeschreven op de middelbare school (achtentwintig jongens, tweeëntwintig meisjes; zes van de afgestudeerde eindexamenkandidaten gingen naar de universiteit). Er waren drie leraren op de middelbare school, met een gemiddeld maandsalaris van $123. Honderd leerlingen waren ingeschreven in de klassen van de basisschool, en er waren vier leraren op de basisschool, met een gemiddeld maandsalaris van $70. Er stonden driehonderd boeken in de schoolbibliotheek. De rest van de kolommen in het rapport voor dat jaar zijn leeg, met uitzondering van de woorden: ‘school and records destroyed by storm’. Het ministerie van onderwijs van de staat stuurde een week na de cycloon een fotograaf om de verwoesting van de school te documenteren. De Rye Cove Memorial High School opende in de herfst van 1930, en er werd een gedenkplaat met de namen van de dertien stormslachtoffers op het gebouw geplaatst.
![]()

‘Wasn’t that a mighty storm’ is een traditioneel Amerikaans folk- en gospelnummer over de verwoestende orkaan die in 1900 Galveston, Texas trof. Nanci Griffith nam het in 1998 op voor haar album ‘Other Voices, Too (A Trip Back to Bountiful)’, waarmee ze een belangrijk stuk muziekgeschiedenis nieuw leven inblies. Het lied is gebaseerd op een waargebeurd drama: de Galveston-orkaan van 1900, die tot op de dag van vandaag de dodelijkste natuurramp uit de Amerikaanse geschiedenis is. Het nummer is ontstaan als een spirituele traditional. De exacte componist is onbekend, maar het werd in 1934 voor het eerst opgenomen door volksliedverzamelaar John A. Lomax. Hij nam het op van een gevangenispredikant genaamd Rev. ‘Sin-killer’ Griffin in een Texaanse gevangenis. De tekst beschrijft op indringende en haast Bijbelse wijze hoe de dood huishoudt op de oceaan (‘Death come howlin’ on the ocean’). Het vertelt over de aankomende vloedgolf en de treinen die overvolle mensen de stad uit probeerden te krijgen, maar de golven waren te sterk en de sporen spoelden weg. Nanci Griffith was een groot voorvechter van traditionele folkmuziek. Haar versie is een eerbetoon aan de artiesten die het nummer in de folk revival van de jaren ’60 en ’70 populair maakten, zoals Tom Rush en Eric Von Schmidt. Op het album ‘Other Voices, Too’ nodigde Griffith talloze gastmuzikanten en vrienden uit, wat resulteerde in een rijk akoestisch arrangement met onder andere piano, trompet en meerstemmige zang. Het contrast tussen de vrolijke, uptempo folk-gitaar en de sombere, apocalyptische tekst is kenmerkend voor dit nummer.
![]()
‘Blown away’ (opgenomen door Carrie Underwood): Een moderne, multi-platina variant op de rampenballade. Het nummer gebruikt een enorme tornado in Oklahoma op een unieke manier: zowel als een letterlijke dreiging, als een metaforische afrekening om een gewelddadig gezin te ontmantelen.
![]()

‘The wreck of the Edmund Fitzgerald’ (1976) van de Canadese zanger en songwriter Gordon Lightfoot is een iconische folkrockballad. Het nummer vertelt het waargebeurde verhaal van het vrachtschip SS Edmund Fitzgerald, dat in november 1975 tijdens een zware storm verging op het Bovenmeer (Lake Superior), waarbij alle 29 bemanningsleden omkwamen. Op 10 november 1975 werd het 222 meter lange vrachtschip, geladen met ijzererts, overvallen door orkaanachtige winden en metershoge golven. Het schip zonk in de diepe, ijskoude wateren zonder dat het een noodsignaal kon uitzenden. Tot op de dag van vandaag liggen de slachtoffers en het schip onaangeroerd op de bodem van het meer. Gordon Lightfoot werd gegrepen door het nieuws over de ramp en schreef het liedje in 1976. Hij baseerde zich op een artikel uit het tijdschrift Newsweek. Het nummer groeide uit tot een van zijn allergrootste hits. Het staat bekend om zijn hypnotiserende, Iers-achtige melodie en de lange, verhalende tekst. Hoewel het liedje historisch gezien erg accuraat is, bevat het een paar bekende onnauwkeurigheden die Gordon Lightfoot door de jaren heen live heeft aangepast. In de song zingt Gordon Lightfoot dat het schip op weg was naar Cleveland. In werkelijkheid was het schip onderweg naar Zug Island, vlakbij Detroit. Oorspronkelijk zong hij dat een luik (hatchway) het begaf. Later onderzoek toonde aan dat dit niet klopte; het schip is vermoedelijk in tweeën gebroken door extreme golven. Uit respect voor de nabestaanden veranderde Gordon Lightfoot de tekst in latere live-uitvoeringen.
![]()
Rampenballades zijn eeuwenoude volksliederen die verhalen over lokale tragedies, zoals overstromingen en branden. In de oral history (mondelinge geschiedenis) vormen ze een cruciale bron, omdat ze de emoties, overlevingsdrang en gedeelde herinneringen van de lokale bevolking bewaren, lang voordat deze verhalen werden opgeschreven. Vroeger waren rampenballades de manier om nieuws over een overstroming, zoals de Sint-Elisabethsvloed, of een grote stadsbrand van mond tot mond te verspreiden. Omdat deze liederen op rijm stonden, waren ze makkelijk te onthouden. Binnen de mondelinge geschiedenis geven ze ons niet alleen feiten, maar vooral de menselijke impact: hoe beleefde de gemeenschap de crisis? Waar geschreven archieven vaak de officiële, bestuurlijke kant van een ramp belichten, richt oral history zich op de persoonlijke getuigenissen en geleefde ervaringen van ooggetuigen en nabestaanden. Binnen dit onderzoeksveld worden rampenballades gezien als een vorm van vroegmoderne oral history: het zijn de gezongen levensverhalen van ‘gewone’ mensen die anders in de vergetelheid zouden raken. De verhalen uit rampenballades worden vandaag de dag nog steeds verzameld en onderzocht. Het is een cruciaal onderdeel van ons immateriële erfgoed.
Voor deze post heb ik een aantal audio-files gebruikt. Daarbij heb ik voornamelijk gebruik gemaakt van datgene wat ik in mijn eigen verzameling terug kan vinden. Natuurlijk is het maar een (zeer) beperkte selectie en kan jij – als lezer – dingen bedenken waar ik niet aan gedacht heb. Laat het dan weten in de reacties, en – wie weet – resulteert dat weer in mooie nieuwe posts…

Gaaf! Wat een research, bijna een wetenschappelijke verhandeling. Je zou vele van jouw verhalen – behalve die over A.G. & Kate – in een boek moeten bundelen en uitgeven! Dank je, heel goed en interessant geschreven! Hartelijke groet, Dennis
Dankjewel voor je vriendelijke woorden Dennis! Naast muziek hoe ik ook van geschiedenis en van dingen uitpluizen (dat laatste is jarenlang mijn werk geweest – dingen uitpluizen). Dus zo iets maken als jij gelezen hebt vind ik een leuke bezigheid. Maar als er waardering is wordt het nog leuker natuurlijk!
Moi Harry, Wat een prachtig verhaal. Er is een uitvoering die mij altijd bijgebleven is. En dat is die van The Duffy Brothers. Dit was (voornamelijk) een komisch duo uit Engeland, maar hun uitvoering van deze song was werkelijk prachtig. Wil je nog veel meer rampenverhalen lezen ga dan eens op zoek naar het boek ‘Scalded To Death By The Steam’. Een aantal van de verhalen uit dit boek zijn ooit in de CAGMITOT verschenen.
Moi Kees! Ja, dat weet ik nog. Schandalig hard gelachen heb ik destijds om die twee mannen! IK ben erg op zoek geweest naar hun uitvoering van ‘Amelia Earhart’s last flight’, want die was inderdaad heel erg goed. We zijn het dus eens. Op YouTube is een versie te vinden, maar daarvan vond ik de kwaliteit niet goed genoeg. En dat boek heb ik waarschijnlijk zelf ook staan, maar op de een of andere manier heb ik tijdens het schrijven van deze post niet bedacht om nou juist dat boek te raadplegen. Jij schreef destijds toch stukken voor de CAGMITOT op basis van verhalen uit dat boek?
Ik sloet mie van harte aan bie Dennis en Kees. Oet dit verhoal bliekt ook overduudelijk dat Harry behaalve een prima schriever is ook een echte researcher is. Dave McEnery is een noam dei ik wil onthollen want ik kende hom nait. Ik wait dat Harry inmiddels een groot lezerspubliek het en dat is van harte verdaind. En by the way ik heb altied genoten van de verhoalen over A.G. & Kate. The Duffy Brothers heb ik heloas nooit zain in het echt. Ik zol es goan kieken. Mooi dat er meer mensen bennen dei reageren.
Mooie en vriendelijke woorden van jou Bert. Daar ben ik blij mee!