Terug naar Baltimore en bluegrass.
Na een maand verlof en weer herenigd te zijn met mijn Gibson, was ik weer terug op Fort Holabird in Baltimore, op zoek naar bluegrass. Zoals Don Stover het gezegd zou hebben: ‘I had the hillbilly fever!’ Het was de zomer van 1967. Op een avond reed ik naar Hyattstown, Maryland, daar zag ik Bill Monroe voor het eerst in levenden lijve. Peter Rowan speelde toen nog gitaar bij hem. Lamar Grier speelde banjo. Er was weinig publiek. Red Allen was erbij, in een rolstoel. Hij verzocht Bill Monroe om het nummer ‘Close by’, en Monroe gaf daaraan gehoor.

Een paar maanden eerder had ik via via gehoord dat de lokale bandleider Roy Cole op zoek was naar een mandolinespeler. Ik deed auditie en kreeg de baan. We speelden twee avonden per week in Club Tomar in Timonium. Dave Norman speelde banjo en nam de tenorzang voor zijn rekening, en Bill Sage speelde viool. Ik weet niet meer wie er bas speelde.
Mijn toekomstvisie was om enerzijds muziek te maken en anderzijds een zelfvoorzienende levensstijl te leiden, zoals de mensen in Appalachia wiens muziek ik zo waardeerde. Tijdens mijn diensttijd in het leger had ik de dividenden herbelegd die ik kreeg uit een aandelenportefeuille die ik van mijn oudtante had geërfd. Zoals mijn vader vaak zei: ‘Thank God for Aunt Lill’. Ik hoopte dat ik de waarde ervan voldoende kon laten groeien om deze droom waar te maken. Terwijl ik optrad bij een open microfoon in Peabody’s Pub in Baltimore, raakte ik in gesprek met de serveerster, Rinny Ryan. Het bleek dat zij dezelfde droom deelde: een zelfvoorzienende levensstijl op het platteland. We verspilden geen tijd en trouwden. Ze stopte met haar serveersterbaan bij Peabody’s, volgde een cursus pottenbakken aan het Maryland Institute en begon haar eigen droom te koesteren om professioneel ambachtsman te worden. We begonnen door het platteland te rijden op zoek naar een boerderij om te kopen. Binnen een paar weken vond ik een ‘boerderijtje’ met tien hectare land en een blokhut van één kamer, waaraan een houten huis was aangebouwd, te koop in Westminster, MD [Maryland]. Ik ging naar de bank, bracht wat aandelen in als onderpand en kreeg een lening van $7000,-, de verkoopprijs van de boerderij. Omdat ik nog steeds in het leger zat, reisde ik op en neer tussen Westminster en Fort Holabird. Ik kocht voor Rinny een pottenbakkersschijf en een elektrische oven, en in het weekend begon ze demonstraties pottenbakken te geven in het Carroll County Farm Museum in Westminster, waar mijn broer Dave – die in de buurt woonde – en ik ook traditionele muziek speelden.

In de herfst, als het kermisseizoen weer voorbij was, kwam Bobby Diamond soms langs bij Club Tomar. Bobby was een goede zanger, banjospeler en violist die veel van bluegrass wist, en hij had ook een geweldig gevoel voor humor. Hij kon slechts een paar maanden per jaar vast spelen, omdat hij ’s zomers de kermis runde. Hij had viool gespeeld bij Red Allen en banjo bij Bill Monroe. Hij zei dan: ‘Well, I played some with Monroe and got him straightened out. Then I had to go out to Wheeling and get Red straightened out. Now I’ve got to come down here and get you guys straightened out’. Del had Bobby aan de baan bij Bill Monroe geholpen toen Bill Keith vertrok. Bobby legde Bill Monroe uit dat hij het spannend vond om in de voetsporen van Bill Keith te treden. Bill Monroe zei tegen hem: ‘Don’t worry about it. The people are coming to see me!’ Bobby was erg gefocust op timing en toon, en kon soms erg kritisch op zichzelf zijn. Vaak genoeg zag ik hem zijn viool tevoorschijn halen, een paar noten spelen, om hem vervolgens weer in de koffer te stoppen en te weigeren te spelen. Ooit vertelde hij me zijn filosofie over vioolspelen: ‘Pull the bow, and hope for the best’.
Del McCoury and the Dixie Pals
Ergens in het voorjaar van 1968 kwam Bobby langs de club met het nieuws dat Del McCoury op zoek naar een mandolinespeler voor de Dixie Pals. Hij gaf me Del’s nummer en zei dat ik hem moest bellen. Ik was net op 15 maart ontslagen uit het leger. Ik belde Del en hij gaf me door de telefoon de routebeschrijving van Westminster, MD [Maryland] naar New Freedom, PA [Pennsylvania] in York County, waar hij woonde. Terwijl ik snel meeschreef, zei hij: ‘Take the third hard road to the left. Take the 5th hard road to the right. Take the 2nd hard road to the right’, enzovoort. Ik volgde zijn aanwijzingen terwijl ik een blik op mijn papier wierp. Ik had totaal geen idee waar ik was. Na vijfentwintig minuten stopte ik bij de derde stacaravan aan de linkerkant, klopte op de deur, en daar was hij. We gingen naar de bioscoop in Glen Rock voor een geluidscheck. Ik denk dat mijn spel naar een hoger niveau tilde. Ik voelde me absoluut geïnspireerd om met Del McCoury op hetzelfde podium te staan.
Toen we ons concert in het theater speelden, was de band van mijn oude baas Roy Cole het voorprogramma. Een man uit Red Lion, Pennsylvania, genaamd John Farmer, speelde banjo bij Roy. John had met grote letters op de achterkant van de resonator van zijn banjo geschreven: ‘ROY ROOKT WIED’. Elke keer als Roy in de microfoon praatte, draaide John zijn banjo om zodat het bord te zien was. Het publiek begon te giechelen. Voordat Roy zich kon omdraaien, draaide John de banjo snel weer terug. Uiteindelijk kreeg Roy het door en lachte hij mee. Ik was onder de indruk van hoe artistiek John de letters op zijn banjo had geplakt.
Toen ik bij Del kwam werken, speelde Larry Smith banjo en Del’s broer Jerry McCoury speelde bas. We hadden een publiciteitsfoto nodig. Rinny had een goede camera, dus kwamen Del, Jerry en Larry naar de boerderij in Westminster en daar maakte Rinny de bandfoto; dezelfde foto die Bluegrass Unlimited gebruikte in hun artikel over Del McCoury in 2024.
Del McCoury verzorgde elke week een radioshow op WHVR in Hanover, Pennsylvania. Het radiostation nam de show vaak op en gaf ons dan een kopie; een paar daarvan heb ik nog steeds. Larry Smith’s banjospel houdt zich echt goed staande. Hij liep voorop met de nieuwe chromatische stijl. Hij had een versie ingestudeerd van het klassieke stuk Swedish Rhapsody van Alfvén die ik erg mooi vond. Ik heb nog nooit iemand anders dat op de banjo horen spelen. De geluidskwaliteit en de balans op deze banden waren verdomd goed. We gebruikten één microfoon en stonden er in een cirkel omheen. Het was een grote RCA ‘bandmicrofoon’. Mijn mandoline was het verst van de microfoon verwijderd, maar kwam er toch goed doorheen. Tegenwoordig worden deze condensatormicrofoons weer opnieuw gebruikt voor bluegrass. De bandleden kunnen zo met elkaar communiceren en hoeven niet alleen maar in een rij te staan.
Als ik nu naar onze oude radioshows luister, word ik eraan herinnerd dat Jack Cooke een week lang te gast was. We zongen een gospelkwartet van ‘A beautiful life’, waarbij ik de bassolo’s voor mijn rekening nam in het refrein. Jack Cooke zong de lead, en Del McCoury zong tenor en speelde banjo. Ik meen me te herinneren dat Larry had besloten om de band destijds te verlaten.
Del McCoury’s banjo-spel was een openbaring. Ik snap nu waarom Bill Monroe hem had ingehuurd om banjo te spelen. We speelden ‘Paddy on the turnpike’ en hij speelde werkelijk de sterren van de hemel. En dat terwijl hij de banjo waarschijnlijk al maanden niet had aangeraakt. Ik besef nu pas hoe toegewijd hij aan de banjo was voordat hij overstapte op gitaar om bij Bill Monroe te spelen en de leadzang te doen. Het moet voor hem een gemis zijn geweest om het op te geven. Hij had zo’n enorm talent. Wat mij betreft, ik had nog een lange weg te gaan op de mandoline. Maar wat een kans was het om me tussen zulke ervaren en getalenteerde muzikanten te bevinden, die waren opgegroeid met de muziek die ik pas onlangs had ontdekt.


Ik had de kleine bandrecorder nog die ik in de PX in Saigon had gekocht. Toen de Dixie Pals een optreden hadden op de Cornell Universiteit in het noorden van de staat New York, nam ik hem mee. Toen we onderweg stopten bij het huis van Fritz Cannon, bekeek ik zijn platencollectie en maakte ik opnamen van ‘Old Kentucky moon’ van Jimmy Skinner en ‘Cabin on a mountain’ van Vern and Ray van een oude Starday-EP. Na een tijdje voegden we deze nummers toe aan ons repertoire. In Ithaca gebruikte ik mijn kleine bandrecorder om Pete Wernick en zijn vrouw op te nemen terwijl ze een zelfgeschreven nummer zongen genaamd ‘In my mind to ramble’. Later heeft Del McCoury de melodie nog een beetje aangepast, en uiteindelijk hebben hij en Jerry de song opgenomen op ‘High on a mountain’, het eerste Rounder-album van Del McCoury uit 1972/73.

Op een avond die zomer zaten Rinny en ik thuis op de boerderij in Westminster. We zagen de koplampen van een grote bus onze kleine onverharde oprijlaan oprijden. Het bleek dat de kermis was weggeregend, en Bobby Diamond bracht de band van de kermis naar ons huis. Het waren Jimmy Martin and the Sunny Mountain Boys. We zaten allemaal rond de open haard in de keuken, terwijl Jimmy Alan Munde op de proef stelde om er zeker van te zijn dat hij elke solo precies zo speelde als J.D. Crowe.

De oude boerderij had geen verwarmingsketel. Ik leerde daardoor hoe ik met hout moest stoken. Mijn vader had me zijn oude Homelite-kettingzaag gegeven en ik had een Ashley-houtkachel gekocht waarover ik in Mother Earth News had gelezen. Dit was het begin van mijn 50 jaar durende obsessie met hout stoken: zagen, kloven, stapelen, drogen. Ik had geen idee hoeveel een houtkachel de lucht in een huis kan uitdrogen, en er ontstond een scheur in het midden van het bovenblad van mijn mandoline, die Chris Warner met succes heeft gerepareerd.

Nadat ik van Del McCoury had geleerd over de waarde van walnotenbomen, deed ik een aanvraag bij de Carrol County Farm Extension Service en ontving ik 50 tweejarige walnotenbomen, die ik in de zijweide plantte. Maar ik besloot niet te blijven om ze te zien groeien. Ik was ontmoedigd door de slechte staat van het huis en door het aantal reparaties dat nog nodig was om het ‘up to standard’ te krijgen. Rinny had slechts een klein kippenhok als pottenbakkersatelier, en we zaten heel ver achteraf van de verharde weg. De man die het grote stuk grond bezat dat grensde aan onze tien hectare, kwam op een dag aanrijden in zijn BMW en bood me $ 14.000,- voor de plek, ook al liep onze geit op de motorkap van zijn auto. Ik accepteerde het aanbod. Ik had naar vastgoedadvertenties in de krant gekeken en merkte dat huizen over de staatsgrens in York County, Pennsylvania, meestal goedkoper waren. Ik was helemaal klaar met termieten, klopkevers en rot hout. Ik kocht een oud stenen huis in de plaats Brodbecks, Pennsylvania, slechts een paar mijl van Del McCoury’s s huis in Glen Rock, van een oude ‘Dutchman’ – die het in het diepste van de Grote Depressie had gekocht – voor $ 28.000,-. Het had muren van zevenentwintig inch (ongeveer 68 cm) dik en was gebouwd op een fundament van rotsgrond. Ik zat midden in een liefdesaffaire met oude stenen huizen. Ik was op zoek naar de stabiliteit en continuïteit die ik voor het eerst voor me had gezien toen ik luisterde naar de Stephen Foster-liedjes uit mijn kindertijd – een denkbeeldige wereld, dat wel. Het oude stenen huis (1798), met zijn geschiedenis intact (behalve dan een aluminium dak), had genoeg ruimte voor een pottenbakkersatelier en zou een geweldige winkelruimte zijn, aangezien het een historisch gebouw aan een drukke weg was. Maar de winter bracht de rauwe realiteit naar boven: ik leerde al snel dat steen geen isolatiewaarde heeft, ongeacht de dikte van de muren. Zelfs met twee houtkachels aan waren er in de winter maar drie kamers comfortabel. Dus konden we weer terug naar de tekentafel.
Tijdens een wandeling over een onverharde weg op minder dan een halve mijl van het stenen huis, zag ik de daklijn van een klein huisje, verscholen in een delling. Ik nam een kijkje. Het was niet in gebruik en hoorde bij de omliggende boerderij. Om een lang verhaal kort te maken: ik kocht het voor $26.000,-, te betalen zodra ik het stenen huis zou verkopen. Een stel die Rinny en ik kenden wilde een antiekzaak beginnen; ze waren dol op het stenen huis en kochten het van me voor $40.000,-. Dat was voor mij genoeg om mijn gedekte banklening af te lossen en voldoende over te houden om de $26.000,- volledig te betalen. Ik was schuldenvrij, helemaal quitte, en gebruikte $3.000,- om op de fundering van een oude schuur een pottenbakkersatelier voor Rinny te bouwen. Ook was er een goed bijgebouw dat een winkelruimte werd. In het begin leefden we een paar maanden zonder elektriciteit of stromend water. Ik had twee jerrycans van 5 gallon elk om water van de bron naar de keuken te dragen. Maar met twee kinderen in de voorschoolse leeftijd, ik die muziek wilde maken en Rinny die potten wilde bakken, zagen we in dat deze levensstijl contraproductief was. We besloten om een kleine zijveranda om te bouwen tot badkamer en sloten ons aan op het elektriciteitsnet. Na ongeveer drie jaar, toen onze dochter Memmy naar de kleuterschool ging en zoon Polo in de eerste klas zat, stond Rinny elke dag naar hartenlust potten te bakken in haar atelier. Oppervlakkig gezien waren dit de goede dagen waarover ik schreef in mijn lied ‘Family of four’, dat ik een paar jaar later opnam voor mijn Fretless album from 1981: ‘I’ve got stove wood in the shed, and a down pillow under my head’ (Ik heb kachelhout in de schuur en een donzen kussen onder mijn hoofd), enzovoort.

De eerste opnamen met Del McCoury
Met het vertrek van Larry Smith nam Donny Eldreth de banjo over en voegde Bill Sage zich bij de groep op de viool. Jerry McCoury, die bas speelde, vertrok om bij Don Reno en Bill Harrell te gaan spelen, waardoor er een einde kwam aan de duetten van de gebroeders McCoury. Het moet dus in 1969 zijn geweest dat ik duetten begon te zingen met Del, op nummers als ‘Sittin’ alone in the moonlight’, ‘Blue, sad, and lonesome’ en ‘There was nothing we could do’. Ik zong bariton in trio’s wanneer Dewey Renfro, die Jerry had vervangen, de leadzang deed. Maar we reisden in die tijd meer, en Donny kon geen vrij krijgen vanwege zijn vaste baan. Toen hij noodgedwongen moest stoppen met de Dixie Pals, lobbyde ik voor John Farmer. En ja hoor, Del McCoury bood hem de baan aan en hij nam het aan. John bestudeerde de Scruggs-stijl op de banjo zeer serieus en was daarnaast een uitstekende leraar.
Kort nadat John Farmer zich bij Del voegde, belde Carlton Haney naar Del met de vraag of we naar Nashville wilden komen om een album op te nemen voor een nieuw label dat hij aan het oprichten was. Carlton vroeg mij om een instrumentaal nummer op de mandoline uit te kiezen. De laatste tijd speelde ik een versie van ‘Cluck old hen’ die ik had geleerd van mijn buurman in Brodbecks (Pennsylvania) – Tracy Schwarz van de New Lost City Ramblers. Ik liet de melodie aan John horen door het zo goed mogelijk in de ‘old-time clawhammer’-stijl te spelen, en John paste het al snel aan naar zijn ‘3-finger Scruggs’-stijl. Tijdens de opname zette ik per ongeluk een mandolinesolo in terwijl John bezig was met zijn laatste banjosolo. Hierdoor is het nummer nogal kort en eindigt het feitelijk in een duet tussen de mandoline en de banjo.
Toen ik op zoek was naar nieuw materiaal voor het album, dacht ik terug aan mijn bluesgitaardagen in Syracuse en kwam ik uit op ‘How long blues’, dat Gary Sandford op een plaat van Leroy Carr en Scrapper Blackwell had staan. Dit nummer gaf John de kans om een paar van zijn blueslicks te gebruiken tijdens zijn banjosolo, en de zang van Del McCoury maakte er direct bluegrass van. Eerder dat jaar had Bill Monroe het refrein van zijn nummer ‘Bluest man in town’ voor ons gezongen in zijn bus op een festival (ik dacht dat het in Shade Gap, Pennsylvania was), maar hij had er nog geen coupletten voor geschreven. Kort daarna reden Del en ik terug van een optreden in Del’s Cadillac uit ’49, toen Del McCoury zich het nummer herinnerde en Bill Monroe’s refrein zong. Dus toen heb ik ter plekke de coupletten bedacht. Del McCoury leerde ze terwijl hij reed. We begonnen het nummer op te treden, dus we kenden het al toen de opnamedatum aanbrak.

Toen Gary Sanford in 1964 terug was in Syracuse, had hij een LP van Obray Ramsey met het nummer ‘Rain and snow’ erop. Tijdens het eerste bluegrassfestival in Fincastle (Virginia) in 1965, had Peter Rowan het gezongen tijdens een workshop, uitsluitend begeleid door Richard Greene op viool. Ik zat destijds in het leger, maar Gary was op het festival en nam het nummer op. Op een gegeven moment maakte hij een kopie voor mij, en dit is de tape die ik meenam naar het huis van Del McCoury om voor hem af te spelen. Het zingen en spelen van Peter Rowan en Richerd Greene maakte echt diepe indruk op me, en ik dacht dat het nummer goed bij Del McCoury zou passen.



Nadat Gary Sanford en zijn vrouw Marcia het Fincastle-festival hadden bezocht, was Marcia zo vriendelijk om mij een lange brief te schrijven. Deze bereikte mij in januari ’66 in Vietnam en beschreef de festivalsfeer in levendige details. Terwijl ik de brief las in mijn tent in de buurt van Saigon, klampte ik me vast aan elk woord, en het maakte een onuitwisbare indruk op me. Jaren later, rond 1990, combineerde ik deze herinneringen met mijn eigen herinneringen aan het festival in Berryville, Virginia van ’67 of ’68. Hieruit ontstond het nummer ‘The old man with the old mandolin’, dat Judith en ik in 1998 opnamen op onze eerste cd. Het nummer gaat schijnbaar over Bill Monroe als de bron en de drijvende kracht achter de bluegrass, maar op een universeler niveau gaat het over hoe muziek ons kan verbinden met de natuurlijke wereld.
Een ander nummer dat ik voorstelde voor het album was een nummer dat ik een paar maanden eerder had gehoord op het Berryville-festival. Ik zat in het publiek toen Monroe Joe Val op het podium riep om met hem te zingen. Joe had een nummer uitgekozen van The Louvin Brothers genaamd ‘Mother’s Prayer’. Het nummer maakte diepe indruk op mij. Het ging over de gevoelens van een moeder wanneer haar zoon van huis vertrekt om in de Tweede Wereldoorlog te vechten. Misschien dacht ik onbewust aan hoe mijn eigen moeder zich voelde toen ik een paar jaar eerder naar Vietnam vertrok. Joe speelde gitaar en zong de coupletten. Toen Monroe inviel tijdens het refrein, was dat ongelooflijk – de kracht van de samenzang, de emotie. Ik stelde dit nummer voor aan Del, en Dewey kende de tekst. Wie anders dan Del McCoury zou het stembereik hebben om de lagere coupletten te zingen en vervolgens moeiteloos in te vallen met de tenor op het refrein? Dit is een van mijn favoriete duetten die ik met Del heb gezongen. Met deze vijf nummers en John Farmers originele instrumentale nummer ‘Farmer John’ toegevoegd aan de nummers die Del had uitgekozen, plus een paar die door Carlton waren gesuggereerd, hadden we genoeg materiaal voor een album.
In augustus ’71 gingen we naar Nashville en namen we het album op voor Carlton. Maar het platenlabel van Carlton kwam nooit van de grond, en de opname bleef ongebruikt liggen tot het in ’71 uitkwam op het Grassound-label – met weinig informatie – als ‘Livin’ on the Mountain’, en al snel niet meer geperst werd.

Een maand na de opnames van dat album speelden we op Carlton’s bluegrassfestival in Camp Springs, North Carolina. Dat was het festival waar de film Bluegrass Country Soul werd opgenomen. Blijkbaar zijn onze live-optredens uiteindelijk niet in de film terechtgekomen. Wel zijn Del en ik te zien achter op het podium tijdens een grote jamsessie met violen, waar we naast Joe Green staan. Toen we een gezamenlijk optreden gaven met J.D. Crowe, bleek de microfoon van de mandoline niet te werken. Alleen bij het nummer ‘Old Joe Clark’, waarin ik samen met Larry Rice op twee mandolines speelde, was de mandoline te horen. Op een gegeven moment nam Carlton ons mee naar een kamer backstage met de vraag of we het nummer ‘Whitehouse Blues’ wilden spelen. Ik vermoed dat hij dit wilde gebruiken als contrast met de versie van Charlie Poole, om zo het verschil tussen bluegrass en old-time-muziek te laten zien. We hadden dit nummer nog nooit geoefend of gespeeld, dus we moesten het ter plekke improviseren. Om de een of andere reden is een kort fragment daarvan uiteindelijk in de film beland! Als deze toevallige gebeurtenis er niet was geweest, had Del überhaupt niet in de film gezeten.
Toen we terug waren in Pennsylvania, belde Ken Irwin van Rounder Records Del op om te zeggen dat Rounder wilde dat Del een album zou maken. Ondertussen had Bill Runkle John Farmer vervangen op de banjo. Rounder wilde graag wat origineel materiaal op de plaat. Ik had al een paar nummers geschreven, en nu had ik de motivatie om ze aan Del te laten horen. Hij vond ze goed genoeg om ze op het album te zetten. Afgezien van de coupletten van ‘Bluest Man in Town’ had ik nog nooit eigen nummers opgenomen. Twee van mijn nummers, ‘How Could I Explain’ en ‘Now She’s Gone’, staan op het album, dat ‘High on a Mountain’ heet.
Del en ik begonnen een derde nummer van mij te spelen, ‘Call Collect on Christmas’, dat Del later opnam nadat ik de band had verlaten. Ironisch genoeg zijn al mijn drie eerste pogingen tot het schrijven van liedjes – doordrenkt van schuldgevoel – mijn bekendste nummers geworden. Ze zijn gecoverd door bands in de VS, Canada en Europa, vooral dankzij de latere populariteit van Del McCoury. In mijn jarenlange ervaring met het schrijven van liedjes komen emoties uiteindelijk altijd bovendrijven in een nummer waaraan je werkt, mits je als schrijver in contact staat met je gevoel. En als iemand zijn emoties heeft onderdrukt, komen ze er ook naturally uit, zelfs onbedoeld. Wat betreft ‘Now She’s Gone’ had ik me altijd afgevraagd waar die songtekst vandaan kwam – al dat verlies en schuldgevoel. Uiteindelijk besefte ik dat het nog maar een paar jaar eerder was dat ik in Vietnam de eerste vrouw van wie ik ooit had gehouden, had achtergelaten.
Tussen 1969 en ’75 waren goedbetaalde optredens voor bluegrassbands schaars, vooral in de winter wanneer er geen festivals waren. Daarom zocht ik altijd naar freelancewerk of extra klussen om bezig te blijven. Rond 1968 had ik op de radio gehoord dat Bill Monroe naar Baltimore kwam om te spelen in Whitey Johnson’s Zebulon Lounge. Mijn vrouw en ik gingen naar de show. De tent zat bomvol en we moesten aan een tafel zitten met mensen die we niet kenden. Dit is hoe ik Bob Dalsemer ontmoette, die destijds banjo en gitaar speelde. We begonnen samen te spelen (en dat doen we nog steeds, wanneer Judith en ik hem opzoeken in North Carolina op weg naar of van Florida).
In die tijd was Bob actief in de muziekscene van Baltimore en wist hij een paar optredens voor ons te regelen in koffiehuizen. We speelden een breed scala aan old-time- en bluegrassmuziek. Bob kent veel traditionele muziek. Hij kan zelfs noten lezen (de ‘stippen’). Door de jaren heen heb je van niemand anders meer vioolnummers geleerd dan van Bob. Op een gegeven moment speelden we in de Red Fox in Bethesda. De eigenaar stelde voor dat we op een donderdagavond zouden komen spelen tussen de sets van The Seldom Scene, die een groot publiek trokken. Maar dat was niet per se een luisterend publiek. Veel van de zitplaatsen waren in nissen, waardoor veel mensen niet eens met hun gezicht naar het podium zaten, en de tijd tussen de sets was natuurlijk een gelegenheid voor mensen om nog meer te praten. Ik denk dat veel mensen niet eens in de gaten hadden dat Bob en ik stonden te spelen.
Tegen het einde van de avond zaten we helemaal achterin toen een van de leden van The Seldom Scene een jonge vrouw uit het publiek vroeg om met hen mee te zingen. Het was zo luidruchtig dat ik haar naam niet verstond, maar later kwam ik erachter dat het Emmylou Harris was. Een paar jaar later boekte Bob een vast optreden op maandagavond voor een bluegrassband in een bar in Baltimore genaamd ‘Mother Lode’s Last Wild Cherry’ en vroeg hij mij om mandoline te spelen. Hij had Jon Glick op viool en Lamar Greer, de voormalige Bluegrass Boy, op banjo. Lamar Grier was toen al een van mijn favoriete banjospelers, en het spelen van deze optredens op maandagavond…
Rond 1970 verhuisden mijn vrouw en ik naar een oude stenen molen in Brodbecks, Pennsylvania, slechts een mijl bij Del McCoury vandaan. Op een dag kwam Bobby Diamond langs. Hij was onderweg naar Nashville om Vassar Clements een nieuwe viool te laten zien die hij net had gekocht, en hij vroeg of ik meeging. Ik overlegde het met mijn vrouw, zij vond het prima, en weg waren we. Vassar Clements speelde destijds 4-snarige banjo in een dixielandband. Bobby overhandigde hem de viool, waarna Vassar Clements aan één stuk door speelde voor wat wel drie kwartier leek. Ik denk dat hij hem wel mooi vond. Bobby Diamond vertelde de hele weg naar Nashville en terug moppen. Ik zei dat ik het best vond, zolang hij maar geen grap herhaalde. Op de weg naar huis waren we nog maar een paar minuten van mijn huis verwijderd toen hij de fout in ging. Ik sprak hem er meteen op aan. Toen hij me afzette, verontschuldigde hij zich uitgebreid voordat hij wegreed.
In 1972 verhuisden we naar een blokhut in Brodbecks. We kwamen er al snel achter dat onze buurman over de heuvel Tracy Schwarz was, van de New Lost City Ramblers. Tracy zocht mensen om een band te vormen met zijn vrouw Eloise op gitaar. Dus stapte Bob over op de banjo, en hij en ik sloten ons bij Tracy en Eloise aan als de Old Home String Band. Het was een zeer kortstondige band. Ik kan me eigenlijk niet herinneren dat we optredens hebben gedaan.
Ik had een lied gezongen dat ik net had geschreven, genaamd ‘If it’s got soul’, voor Ken Irwin. Het was een grappig nummer over de opmars van elektrische instrumenten binnen de bluegrass. Hij vond het actueel en wilde het uitbrengen. Hij vond het ook een goed idee om Tracy op te nemen. Dus huurde Rounder een studio en maakte de Old Home String Band haar opnamedebuut – een extended-play 45-toerenplaat met vier nummers (voor zover ik weet de enige opname van die aard van Rounder). In tegenstelling tot de opname die we voor Carlton Haney deden, kwam deze tenminste wel uit. Maar hij verdween al snel van de radar. Een van de nummers, ‘Shut up in the mines of Cold Creek’, dook jaren later weer op op enkele verzamelalbums van Rounder, met Tracy’s bezielde leadzang in de verzen, ikzelf op de leadzang en Eloise met een hoge bariton in het refrein.

Heerlijk om te lezen over de aal dei bands woar Dick bie speult het. Een schat aan ervoaring en dei drang van hom om selfsuporting te worden mooi man. ‘Call collect on Christmas Day’ en ‘Now she’s gone’ kende ik van hom. Dick het veul meer schreven. Luuster mor noar de CD’s dei hai mokt het met Judith. Hai ken hail goud mineur akkoorden verwaarken in zien nummers. Doardeur hebben ze meer zeggingskracht en klinken heerlijk melancholisch. Weer een prachtige serie op Birdeyes
Dat is zo mooi aan jouw reacties Bert, je weet altijd weer een aanvulling te geven. Als ik jou de volgende keer het concept toestuur… Zou dat wat zijn? Maar even serieus. Dank voor jouw reactie!
Nee Harry, ik laat me graag verrassen door jouw verhalen. Ik geniet er van.