Ik heb Charlie Moore helaas maar één keer op zien treden. Dat was op 6 maart 1979 in ‘The Home of Strictly Country’ in Harpel tijdens één van de allereerste huisconcerten die ik daar bezocht. Ik vond het optreden dusdanig indrukwekkend dat ik een vaste gast van dit soort huisconcerten ben geworden. Naar aanleiding van het optreden van Charlie Moore ben ik allerlei LP’s van hem gaan verzamelen, een van de LP’s die ik in die tijd kocht was ‘The fiddler’, een LP van hem op Old Homestead (# 90052 uit 1971). De allereerste LP van Charlie Moore kocht ik tijdens het optreden van hem in Harpel; die LP staat gesigneerd in mijn platenkast. De song waar deze post over gaat is op deze LP terug te vinden, alhoewel Charlie Moore de song vaker op heeft genomen. Ik heb die Old Homestead LP ontzettend vaak gedraaid en kon op een bepaald moment ‘Legend of the rebel soldier’ volledig uit het hoofd meezingen (het klonk nergens naar, maar ik had wel veel plezier). Nog steeds vind ik het een song die uitstekend past in mijn bakje met mooie songs…
‘Legend of the rebel soldier’ (ook wel bekend als ‘The legend of the rebel soldier’ of ‘The rebel soldier’) is een iconisch bluegrass-nummer dat onlosmakelijk verbonden is met de legendarische Amerikaanse bluegrass-muzikant Charlie Moore. Het nummer werd voor het eerst op single uitgebracht in 1971 en vormde later de titeltrack van zijn veelgeprezen album The ‘Original’ Rebel Soldier uit 1972. De compositie is zo invloedrijk dat deze uiteindelijk werd opgenomen in de prestigieuze Smithsonian Collection of Classic Country Music. Hoewel Charlie Moore vaak als componist of arrangeur wordt vermeld, is het nummer in feite een slimme bewerking van een veel oudere melodie. De melodie en structuur zijn rechtstreeks overgenomen van de traditionele Ierse ballad ‘Kevin Barry’. Dit lied herdenkt een jonge Ierse republikeinse militair die in 1920 werd opgehangen. Door deze melancholische, hymne-achtige Ierse structuur te gebruiken, kreeg het nummer een diepe, emotionele lading die perfect paste binnen de Amerikaanse folk- en bluegrasstraditie.
In a dreary Yankee prison where a revel soldier lay. By his side there stood a preacher ere his soul should pass away. And he faintly whispered: ‘Parson’ as he clutched him by the hand Oh Parson, tell me quickly, Will my soul pass through the southland?
Will my soul pass through the Southland, through old Virginia grand Will I see the hills of Georgia and the green fields of Alabam? Will I see that little church house, where I pledged my heart and hand Oh Parson, tell me quickly, will my soul pass through the Southland?
Was for loving dear old Dixie, in this dreary cell I lie Was for loving dear old Dixie, in this northern state I die. Will you see my little daughter, will you make her understand Oh Parson, tell my quickly, will my soul pass through the Southland?
Then the Rebel soldier died.
Wie was Kevin Barry?
Kevin Barry werd op 20 januari 1902 geboren. In songs en verhalen wordt hij herinnerd als een toegewijde Ierse republikein. Hij werd op 18-jarige leeftijd opgehangen en was daarmee de eerste Ierse republikein die door de Britten werd geëxecuteerd na de Paasopstand van 1916. Barry was het vierde kind uit een gezin van twee jongens en vier meisjes, werd in 1902 geboren aan Fleet Street 8 in Dublin. Na de dood van zijn vader in 1908 verhuisde het gezin naar Tombeagh in het graafschap Carlow, waar hij naar de Rathvilly National School ging. Later bezocht hij het St Mary’s College in Rathmines in Dublin, en in 1916 stapte hij over naar het Belvedere College. Als fanatiek atleet en student won Kevin in 1919 een studiebeurs van de Dublin Corporation. In de herfst van dat jaar begon hij aan het University College Dublin om geneeskunde te studeren. In Carlow, een regio rijk aan volksherinneringen aan de opstand van 1798, had Barry alles geleerd over Michael Dwyer en de United Irishmen. Hij sloot zich al op 15-jarige leeftijd aan bij de Irish Volunteers en zes maanden later werd hij lid van de Clarke Luby Circle van de IRB (Irish Republican Brotherhood). Tegen de zomer van 1920 had Barry de rang van sectiecommandant en nam hij deel aan de meeste operaties van de brigade tegen de Britse strijdkrachten in Dublin. In juni maakte hij deel uit van een groep IRA-vrijwilligers onder het bevel van Peadar Clancy (die drie weken na de executie van Barry door de Auxiliaries in Dublin Castle werd vermoord). Deze groep voerde een succesvolle wapenoverval uit op de King’s Inns, waar Britse troepen waren ingekwartierd. Op 20 september was Barry een van de 23 vrijwilligers die deelnamen aan een wapenoverval op een Britse patrouille bij de bakkerij van Monk in Church Street. Na een kort maar hevig vuurgevecht, waarbij een soldaat omkwam en vier anderen gewond raakten, moesten de vrijwilligers zich terugtrekken vanwege de naderende komst van Britse versterkingen vanuit de nabijgelegen North Dublin Union. Iedereen wist te ontkomen, behalve Barry. Hoewel hij door de Britten werd gemarteld, weigerde hij de namen van zijn kameraden te noemen. Op 20 oktober werd hij voor een krijgsraad gebracht en ter dood veroordeeld. Van uit alle delen van de gemeenschap werd opgeroepen om de straf te verlagen vanwege zijn jeugd, en zijn kameraden van de Dublin Brigade deden verschillende mislukte pogingen om hem uit de gevangenis te bevrijden. Om 8 uur ’s ochtends op maandag 1 november 1920 werd hij opgehangen in Mountjoy Jail en begraven binnen de gevangenismuren. Zijn laatste boodschap aan zijn kameraden was: ‘Hold on and stick to the Republic’.
De tekst vertelt het emotionele verhaal van een stervende soldaat uit het Zuidelijke kamp (een ‘rebel’) die vastzit in een guur Noordelijk gevangeniskamp tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. Terwijl hij op zijn sterfbed ligt, spreekt hij met een bezoekende dominee. Zijn centrale, melancholische vraag vormt de kern van het lied: ‘Oh, parson, tell me quickly, will my soul pass through the Southland?’ Hij smeekt de predikant om zijn liefde over te brengen aan zijn dochter en vraagt zich af of zijn ziel na zijn dood vrij zal zijn om terug te keren naar de groene velden van Virginia en Alabama. Charlie Moore nam het nummer zelf op met zijn band The Dixie Partners. De populariteit van het nummer steeg echter naar ongekende hoogte toen de bekende bluegrassband The Country Gentlemen het nummer in 1972 coverden voor hun bekroonde album ‘The award winning Country Gentlemen’. Mede door hun uitvoering groeide het nummer uit tot een absolute standaard binnen het bluegrass-genre.
Deze foto werd lang geleden bij Pieter Groenveld thuis gemaakt. De foto bovenaan deze post is er ook eentje van Pieter Groenveld. Ik kreeg beide foto’s lang geleden van Pieter om ze te gebruiken bij twee eerdere posts over Charlie Moore.
Iets meer informatie over Charlie Moore...
Charlie Moore (13 februari 1935 – 24 december 1979) had tijdens de jaren 60 en 70 een van de beste leadstemmen onder de bluegrass-vocalisten. Van 1962 tot 1967 nam hij, in samenwerking met het instrumentale genie Bill Napier (1935-2000) en hun Dixie Partners, negen LP’s op voor het King-label. Nadat hun samenwerking werd beëindigd, richtte hij al snel een nieuwe band op en nam nog ongeveer vijftien albums op voor Wango, Vetco, Leather en met name voor Old Homestead. Helaas vocht hij tijdens zijn laatste levensjaren ook een lange en verliezende strijd tegen de gevolgen van alcoholisme. Charlie, geboren in Piedmont, South Carolina, begon al tijdens zijn middelbareschooltijd op de lokale radio en TV te spelen. Kort daarna speelde hij een tijdje met Cousin Wilbur [Wesbrooks], eveneens op de televisie in de Carolinas. Tegen 1959 was hij weer voor zichzelf begonnen en vormde hij zijn eerste versie van de Dixie Partners. Country Song Roundup liet lezers weten dat Ansel Gutherie in 1959 mandoline speelde en tenor-lead zong voor de drie leden van de Dixie Partners. Curly Ellis speelde de vijfsnarige banjo. Het tijdschrift meldde dat het trio een televisieshow had die op zaterdagavond werd uitgezonden, genaamd ‘Carolina promenade party’. Hij maakte zijn eerste opnames, een paar 45-toeren EP’s, bij Starday. Rond 1962 begon Charlie Moore de samenwerking met Bill Napier, een voormalig bandlid van The Stanley Brothers. Napier had al uitstekend werk geleverd op de mandoline en de leadgitaar, maar bleek nu bijna even bedreven op de vijf-snarige banjo. Omdat Bill Napier echter maar één instrument tegelijk kon bespelen, klaagden critici dat de rest van de band niet altijd van hetzelfde niveau was. Over een periode van vijf jaar, beginnend op 28 december 1962, namen Moore & Napier en hun Dixie Partners negen albums op voor King Records. Die allereerste sessie bracht hun meest succesvolle nummer voort, ‘Truck driver’s queen’. In oktober 1966 deden ze hun laatste sessie bij King, waarna ze enkele maanden later hun samenwerking beëindigden. Gedurende hun tijd samen waren Charlie en Bill meestal gestationeerd bij TV-zenders in de Carolina’s of in Florida. Dit was met name in Panama City, waar ze vrijwel een monopolie hadden op live-entertainment. Charlie Moore klaagde er later wel over dat de helft van het uitzendsignaal over de Golf van Mexico viel, terwijl de andere helft hoofdzakelijk moeras bedekte. Gedurende enkele maanden hadden ze ook een vast TV-programma in Pensacola, wat ze later omschreven als een van hun meest winstgevende projecten. Ze waren ook een tijdje vaste gasten bij de World’s Original Jamboree van radiozender WWVA in Wheeling, Virginia. Hoewel de band vaak sessiemuzikanten leende uit de bluegrassgemeenschap van Cincinnati (zoals Paul Mullins en Jim McCall), hadden ze ten minste een deel van de tijd een aantal kwaliteitsvolle bandleden, zoals Curly Lambert en/of Jimmy Williams op mandoline, en de vaste bas-sist Henry Dockery. Na ongeveer een jaar als diskjockey te hebben gewerkt, had Charlie Moore tegen het begin van 1969 een nieuwe Dixie Partner-band samengesteld. Hij nam het nieuwe album Charlie Bluegrass op voor het label Country Jubilee. Dit album bevatte bijdragen van ondersteunende muzikanten zoals Larry Jefferson (mandoline), Al Osteen (banjo), Charles Hutsen (viool) en Sam Cobb/Henry Dockery (bas). Dit bleek het begin te zijn van een decennium waarin zeer veel muziek werd opgenomen. Tien van zijn elpees verschenen op het in Michigan gevestigde label Old Homestead, maar er waren er ook twee op Vetco en telkens één op Wango en Leather (allemaal gespecialiseerde bluegrass-maatschappijen). Daarnaast maakte hij een reüniealbum met Bill Napier op Old Homestead, en tijdens Europese tournees nam hij één album op in België en een ander in Nederland. Begeleidingsmuzikanten die voor kortere of langere tijd bij de Dixie Partners speelden, waren onder meer nieuwkomers als Ben Green, Terry Baucom en Butch Robbins, samen met veteranen Johnny Dacus, Curly Lambert, Larry Jefferson, Al Elliott en Henry Dockery. Een tijdlang werkte een zangeres – Lois Constable – samen met Moore en de twee waren kortstondig getrouwd. Charlie Moore trad vaak op tijdens het groeiende aantal bluegrassfestivals en hernieuwde ook zijn banden met WWVA’s Jamboree USA. Ondanks artistiek succes deed Moore niet veel meer dan een band ‘on the road’ te houden. Zijn gezondheid werd steeds kwetsbaarder en zijn alcoholverslaving beïnvloedde zijn leven en gezondheid steeds meer. Op de zaterdag na Thanksgiving in 1979 speelde hij een show in het Mountaineer Opry House in Milton, West Virginia, en vertrok daarna naar zijn volgende optreden in Baltimore, Maryland. De band liet hem opnemen in een ziekenhuis en binnen enkele dagen raakte hij daar in een coma, waarna hij na nog een aantal dagen overleed. Old Homestead had nog voldoende niet-uitgebrachte opnames liggen, die uiteindelijk op latere albums verschenen.
Ik schreef (een paar jaar geleden) twee keer eerder op deze site over Charlie Moore; die posts zijn hier en hier te lezen (de links openen beiden op een nieuw tabblad).
Onderaan deze post is een blokje waar u een reactie achter kunt laten. Ik stel dat zeer op prijs! U wordt gevraagd om een mailadres. Dit mailadres wordt niet gepubliceerd, maar stelt mij – als beheerder van deze site – in staat om te reageren op uw reactie. Het is ook mogelijk je te abonneren op Birdeyes. Kijk daarvoor op de homepagina van deze site en laat je mailadres achter. Je krijgt dan een berichtje als er een nieuwe post is geplaatst.
Zag Charlie in Rijen denk in (schrik niet) oktober 1976. Toen A.G. & Kate hem over haalden als hun eerste Amerikaanse artiest. Wat ik me herinner was de krachtige prachtige stem van Charlie. Bovendien was ik toen uiterst geïmponeerd door de enorm dikke snaren op zijn gitaar. Ik met mijn zielige setje 013 snaren op mijn Turfgitaar. Dank voor het delen, en interessante verdere informatie beste Harry.
Dank voor je reactie Moos. In één de eerdere posts over Charlie Moore is nog een foto te vinden die naar afloop van dat optreden is gemaakt. Dennis Schut staat ook op die foto…
De oetvoering van Charlie Moore en The Country Gentlemen kende ik. Prachtig all baide. De andere tweie kende ik nait moor ook heul mooi. Ik wies die nog op de oetvoeren van Jimmy Arnold van de LP ‘Southern Soul’. Een LP met allenig moar laidjes oet de burgeroorlog. De LP stait op YouTube.
Ik ben voornamelijk geïnteresseerd in traditionele folk- en countrymuziek, Groninger (cultuur)geschiedenis, en allerlei buitengebeuren. Vroeger trok ik er vaak op uit om meerdaagse fietstochten te maken, tegenwoordig fiets ik meer in de omgeving van de stad Groningen. In de jaren 80 van de vorige eeuw begon ik foto's te maken van de verschillende (huis)concerten die ik bezocht. Een paar jaar geleden heb ik al mijn oude negatieven gedigitaliseerd. Deze website kwam tot stand vanuit de wens iets met de toen gedigitaliseerde negatieven te doen...
VRIJ OM TE DROMEN: Dick Staber’s leven in de muziek ♦ deel 3
Zag Charlie in Rijen denk in (schrik niet) oktober 1976. Toen A.G. & Kate hem over haalden als hun eerste Amerikaanse artiest. Wat ik me herinner was de krachtige prachtige stem van Charlie. Bovendien was ik toen uiterst geïmponeerd door de enorm dikke snaren op zijn gitaar. Ik met mijn zielige setje 013 snaren op mijn Turfgitaar. Dank voor het delen, en interessante verdere informatie beste Harry.
Dank voor je reactie Moos. In één de eerdere posts over Charlie Moore is nog een foto te vinden die naar afloop van dat optreden is gemaakt. Dennis Schut staat ook op die foto…
De oetvoering van Charlie Moore en The Country Gentlemen kende ik. Prachtig all baide. De andere tweie kende ik nait moor ook heul mooi. Ik wies die nog op de oetvoeren van Jimmy Arnold van de LP ‘Southern Soul’. Een LP met allenig moar laidjes oet de burgeroorlog. De LP stait op YouTube.
Mijn schoonvader heeft het altijd over ‘Tjoepje’ als hij over YouTube praat… Maar weer een leuke aanvulling Bert! Ik ga op onderzoek uit…
Weer zo’n uitgebreide en interessante bespreking van een hele mooie song. Onze smaken komen zo aardig overeen… In ieder geval bedankt Harry 👍👍👍
Dankjewel Kees! En wat die smaak betreft… Ik denk dat je grotendeel gelijk hebt…