Jan-Albert Bleeker en ik hadden zin om weer eens samen een rondje te fietsen. Het laatste gezamenlijke rondje was er eentje die Jan-Albert bedacht had. Nu was het dus mijn beurt. Mijn fietsrondjes spelen zich voornamelijk in de directe omgeving van Groningen en ten noorden van de stad af. Jan-Albert woont in Haren en meestal fiets ik dan vanuit Groningen eerst naar Haren om van daaruit dan een gezamenlijk rondje te gaan fietsen (dat betekent dat ik sowieso circa 20 km meer op mijn tellertje heb staan dan Jan-Albert tegen de tijd dat ik weer thuis ben). Deze keer had ik bedacht dat ik graag een keer naar het Hunebed in Noordlaren wilde en op de terugweg even wilde kijken bij het monument in Glimmen dat daar geplaatst is voor 34 verdwenen slachtoffers van de Meistaking in 1943. Veel hoefde ik niet op Jan-Albert in te praten. Hij vond het een prima idee.

Op weg naar Haren zag ik graffiti in de vorm van een bloem in een blauwe pot. Iets verderop nog een keer… Ik ben maar even terug gefietst om er een foto van te maken. Ik vind het kwalijk om andermans spullen/huizen als canvas te gebruiken, maar deze twee bloemen vond ik best wel mooi eigenlijk. Een half uurtje later stond ik bij Jan-Albert achter het huis. Een kop koffie was snel klaar en even later zaten we over onze plannen te mijmeren

Het is vanuit Haren circa 10 kilometer naar Noordlaren, voor ons is dat ergens tussen een half uurtje en drie kwartier fietsen. We stopten even bij de kerk om te bedenken hoe we het beste bij het hunebed zouden kunnen komen en fietsten er toen zo op af. Ik herinner me dat jaren geleden we eens met collega’s van het werk gingen fietsen, ook met de bedoeling langs het hunebed te gaan. Een fikse regenbui zorgde er toen voor dat de plannen werden veranderd. Noordlaren ligt aan de oostelijke kant van de Hondsrug en is een dorpje met circa 800 inwoners. Naar mijn gevoel heeft het dorp meer een Drents dan een Gronings karakter. Grappig dat je zo dicht bij je eigen vertrouwde omgeving zo’n totaal ander landschap aantreft.

Petrus Camper maakte al in 1768 een tekening van het hunebed bij Noordlaren.

Het dorp Noordlaren (Gronings: Noordloaren) ligt in de gemeente Haren, in de provincie Groningen, ten noorden van Zuidlaren en Midlaren. Noord- en Zuidlaren liggen in verschillende gemeenten, zelfs in verschillende provincies. Noordlaren is een klein dorp met zo’n 800 inwoners. Zoals op de dorpsvlag geïllustreerd wordt, heeft het karakteristieke dorp drie bezienswaardigheden: de kerk, de molen en het hunebed. Aan de oostkant wordt het dorp begrensd door het Zuidlaardermeer. Aan de westkant ligt het Noordlaarderbos met daarachter de Drentsche Aa. Noordlaren heeft het karakter van een Drents dorp, zoals het gehele gebied tussen Noordlaren en de stad Groningen. Dit gebied wordt ook wel het Gorecht genoemd. Noordlaren was een van de kerspelen van dit gebied. Kerspel (ook: karspel of kerspil) is de Middelnederlandse benaming voor een kerkgemeente of parochie. Het dorp is landelijk bekend van het marathonschaatsen op natuurijs. Traditiegetrouw probeert men, op de schaatsbaan van Noordlaren, jaarlijks de eerste marathon op natuurijs van het nieuwe schaatsseizoen te laten verrijden.

Het hunebed G1 bij Noordlaren is een Rijksmonument. Deze foto komt uit de database van Rijksmonumenten. De nummering van de hunebedden (G1, G2, enzovoort) is trouwens door professor van Giffen geïntroduceerd.

De hunebedden zijn de oudste grafmonumenten van Nederland. Ruim 5000 jaar geleden werden ze gebouwd door de mensen van de Trechterbekercultuur (de eerste boeren van Noord-Europa) om hun doden te begraven. In de provincie Groningen hebben verschillende hunebedden gestaan. Het hunebed van Noordlaren is het enige hunebed in onze provincie dat nog op z’n oorspronkelijke plek staat. Een paar andere hunebedden in de omgeving van Noordlaren zijn in de Middeleeuwen gesloopt om bijvoorbeeld als fundering voor een kerk te dienen. In 1983 werd nog een hunebed (G5) bij Delfzijl opgegraven en daar vervolgens opgesteld in een museum. In 1957 is het hunebed waar we vandaag naar toe gefietst zijn (G1) deels opgegraven door Albert Egges van Giffen. Hij hoogleraar aan de RUG en een prominent Nederlands archeoloog die als bijnaam ‘de vader van de hunebedden’ had. Deze in Diever geboren archeoloog had in Drenthe (waar hij opgroeide) de bijnaam ‘het Spittertien’ omdat archeologen veel aan het graven zijn… Van Giffen heeft ook veel betekend voor het wierdenonderzoek in onze provincie. Tijdens de opgraving in 1957 van het hunebed in Noordlaren werden de resten van circa 150 potten gevonden. Nog belangwekkender was de vondst van een kindergraf bij de ingang van het hunebed met daarin de overblijfselen van waarschijnlijk twee kinderen.

Nadat ik wat foto’s had gemaakt en we een en ander goed bekeken hadden gingen Jan-Albert en ik op weg naar de Appelbergen. Ondertussen bedacht ik dat het woord ‘herdenken’ een brug was tussen de beide plekken die ik vandaag graag zou willen bezoeken. In Noordlaren was dat een grafmonument in de vorm van een hunebed en in de Appelbergen wilde ik graag het monument bezoeken dat daar is geplaatst voor 34 slachtoffers van de Meistaking van 1943. Ik wist dat de Appelbergen (klemtoon op pel) een bosrijk gebied ten zuiden van Haren was. Ooit fietste ik wel eens langs de Hoge Hereweg zonder me te realiseren dat deze oude zandweg al in de Middeleeuwen onderdeel was van de belangrijkste postkoetsverbinding van Groningen naar Emmen en Coevorden. Destijds vond ik het voornamelijk erg stoffig (dat was het nu nog steeds). Langs deze route trok in 1672 Bommen Berend (Bernhard van Galen) op naar de stad Groningen.

Ter hoogte van het Paviljoen Appelbergen parkeerden we de fietsen en gingen we te voet op zoek naar het monument dat zich bij het vennetje bevindt. Het is een serene en verstilde plek waar de wolken prachtig blauw reflecteren in het water van het vennetje. Dichtbij staat een simpel houten bankje om even te zitten te mijmeren over datgene wat zich hier ruim 75 jaar geleden in 1943 heeft afgespeeld…

Op 29 april 1943 maakte de Duitse bezetter bekend dat 300.000 Nederlandse oud-militairen die gevochten hadden in 1940 zich verplicht moesten melden om te gaan werken in Duitsland voor de Arbeitseinsatz. Door de vele Duitse doden tijden de slag om Stalingrad waren extra mankrachten nodig om de Duitse oorlogsindustrie draaiende te houden. Voorheen was de Arbeitseinsatz vrijwillig geweest. Nederlanders die weigerden te werken in Duitsland konden op ‘den strengste maatregelen’ rekenen. Veel Nederlanders vonden dat dit te ver ging en een staking brak uit in Hengelo. Als een olievlek verspreidde de staking zich over het hele land en deden ruim 200.000 mensen mee aan de staking. De Duitse bezetter reageerde keihard. Nu kregen alle Nederlanders met terreur te maken, niet alleen de Joden. In de drie noordelijke provincies zestig mensen omgebracht. Van hen werden 34 door de bezetters op ‘een onbekende plaats’ verstopt, als extra intimidatiemethode om de wilde staking neer te slaan. De ‘onbekende plaats’ bleek het moeraslandschap bij het vennetje in de Appelbergen te zijn. Het waren de eerste doodvonnissen in de Tweede Wereldoorlog in Noord-Nederland. De Meistaking markeerde de tweede, grimmiger helft van de Tweede Wereldoorlog, en vormde het startsein voor het gewapende verzet. Eind 1945 werd door ooggetuigen gemeld dat er slachtoffers ‘gedumpt’ waren op een plek in de Appelbergen. Daar werden toen de overblijfselen van 19 slachtoffers gevonden. Vier jaar later bleek na allerlei (archief)onderzoek dat er nog eens 16 vermisten in het moerassige landschap van de Appelbergen begraven moesten liggen. Ergens las ik dat de Appelbergen een ‘schuldig landschap’ is. Op zich begrijp ik deze term wel, er hebben zich tijdens de Tweede Wereldoorlog gruwelijke dingen op deze plek afgespeeld. Tot in 2004 is er met behulp van de modernste technieken naar de laatste vermiste slachtoffers gezocht. In 2004 werd een monument geplaatst met daarop twee bronzen plaquettes. Op de rechter plaquette de namen van de gevonden en geïdentificeerde slachtoffers en op de linker plaquette de namen van nog niet teruggevonden slachtoffers. Deze 16 vermisten zijn weliswaar niet gevonden, maar ze zijn wel terecht. Het monument vertelt dat ‘de dumpplek’ een begraafplaats is geworden, waar de vermisten worden herdacht.

Ik was erg onder de indruk van deze plek. Zo onder de indruk dat ik twee dagen later samen met P dezelfde plek nog een keer bezocht heb (toen met de auto). Op deze fietsdag reden we gezamenlijk met een hoofd vol gedachten weer terug naar Haren en aan het einde van de middag fietste ik rustig aan via de Hoornsedijk weer terug naar huis.