Vorig jaar, in de herfstvakantie van 2020, hadden we via Airbnb een huis gehuurd in Heerenveen. Op de eettafel was voor ons een mooie fietsroute klaargelegd als suggestie om er even op uit te gaan. De betreffende herfstvakantie was echter uitzonderlijk regenachtig, we zijn toen amper verder gekomen dat héél veel lezen. Daar baalde ik toen wel een beetje van, want het leek me een erg aardige fietstocht toe. De oplossing was dat ik foto’s maakte van alle vier pagina’s van de beschrijving, uiteraard met de bedoeling deze fietstocht een keer op een later moment te fietsen. Dat moment was de afgelopen herfstvakantie. Gelijk op de maandag (het was die dag immers mooi zonnig weer) werd de eerste de beste kans benut. Achteraf maar goed ook, want ook deze herfstvakantie hebben we weer de nodige regenbuien voorbij zien trekken (maar gelukkig niet op de maandag)…

Deze route voert (onder andere) langs een aantal landhuizen/buitenverblijven in en om Oranjewoud. Omdat deze plekken momenteel zonder uitzondering allemaal bewoond zijn heb ik er voor deze post voor gekozen oude foto’s te zoeken op het Internet. De overige foto’s hebben we tijdens onze fietstocht gemaakt. Begin- en eindpunt van deze route van circa 25 kilometer is Hotel Tjaarda in Oranjewoud. Wij hebben er deze dag voor gekozen om de route te beginnen op een punt dat dichter bij ons vakantieadres was gelegen…

De eerste plaats waar wat over opgeschreven was is Brongergea, een klein gehuchtje op een paar kilometer afstand van de nieuwbouwwijk Skoatterwâld waar wij meestal een huis huren.

Op het kleine kerkhofje van Brongergea zijn twee grafkelders te vinden. Deze is van de familie Van Limburg Stirum. Klik op de foto voor meer informatie…

Klemburg is niet de tuinmanswoning van Oranjestein, zoals veel mensen denken, maar een van de kleinste buitens die Oranjewoud rijk is. De bouwheer was Albertus van Delden, een doopsgezinde predikant uit Sneek. In 1797 vestigde hij zich op Klemburg. In 1878 kreeg het huis zijn huidige karakteristiek trapgevel. Klemburg biedt uitzicht op de Berg van Brongerga, waarop sinds 1924 een betonnen belvedère (uitkijktoren) prijkt. De naam ‘Klemburg’, komt van het ‘Klemrjocht’. Een recht om je huis te bouwen op het land van een ander. Een soort erfpacht. Maar er waren wel wat verschillen. Het huis ‘Klemburg’ werd gebouwd op de grond, die gehuurd werd van de kerk. Het beklemrecht ontstond in de 17e-eeuw. Beklemming functioneerde om landerijen bij elkaar te houden, omdat bij splitsing (de verkoop van een gedeelte) steeds toestemming van de eigenaar nodig zou zijn. Op deze manier was er bij vererving altijd maar één kind dat het bedrijf (in zijn geheel) overnam.

Brongerga is de naam van een inmiddels verdwenen gehucht, dat uit enkele boerderijen en een kerkje bestond. Op het kleine kerkhof kan men de grafkelders vinden van twee vooraanstaande families, Van Limburg Stirum en De Blocq van Scheltinga, die van 1823 tot 1953 op Huize Oranjewoud hebben gewoond. Op plaatsen waar vroeger het veen werd afgegraven, bleef een woestenij achter die later vaak veranderde in een heide. Voor veel veenarbeiders betekende dat werkloosheid en armoede. Typerend die armoede zijn de zogenaamde klokkenstoelen, de ‘kerktorens der armen’, zo gebouwd omdat het geld voor een echte kerktoren ontbrak.

Van Brongergea fietsten we naar het dorpje Bontebok (what’s in a name?) waar we even stopten en een paar foto’s maakten. Midden in het dorpje staat een standbeeld van een bok met daarbij een bordje met de volgende tekst: ‘Ik en een BOK. Een BOK ben ik geheten. Menigeen is een BOK, maar wil het niet weten’.

Op weg naar Bontebok kwamen we langs dit weiland met paarden. Toch maar weer een paar foto’s gemaakt…

In de 16de-eeuw werd onder invloed van de toenemende behoefte aan brandstof een begin gemaakt met het ontginnen van het veen in deze streek. De eerste systematische ontginning werd ingeleid met het laten graven van de Skoatterlânske Kompanjonsfeart, waar we nu naast fietsen. Die diende in eerste instantie voor het afvoeren van de turven die uit het veen waren gewonnen. Aan weerszijden van de hoofdvaart werden dan wijken gegraven, die op ongeveer 200 meter afstand van elkaar lagen; economisch gezien de beste krui-afstand om turf af te voeren. De wijken kregen soms een naam mee van een bekend persoon of anders gewoon een nummer, zoals hier de ‘Tweede Wijk’.

Gerestaureerde sluiswachterswoning uit 1725 in Bontebok

Van Bontebok ging de tocht naar Nieuwehorne. Hier lieten de gefotografeerde instructies ons een beetje in de steek. We kwamen er niet uit… Een toevallige voorbijganger, een boom van een kerel met zwarte leren jas met allerlei patches, paardenstaart en veel tattoos (zijn vrijwel altijd erg aardige mensen trouwens) had in de gaten dat we de weg een beetje kwijt waren en hielp ons weer de goede kant op. Op het pleintje bij het kerkje van Nieuwehorne werden we aangesproken door een van de inwoners van het dorp. Hij vertelde ons uitgebreid over het jaarlijkse dorpsfeest dat hier georganiseerd wordt.

In 1778 was de oude middeleeuwse kerk van Nieuwehorne in zo’n slechte staat dat hij moest worden afgebroken. Met behulp van de grietman van Schoterland verrees een jaar later een nieuw kerkgebouw op de fundamenten van de oude. Een gedenksteen boven de ingang van de kerk herinnert nog aan de eerste steenlegging door Daniel de Blocq van Scheltinga op 17 januari 1779.

Uitvergroting van de gedenksteen boven de ingang van de tegenwoordige kerk.

Op weg naar Katlijk (ook weer zo’n mooie plaatsnaam) kwamen we langs dit standbeeld van de raaptepper,

Cathelec, Catlik en Ketleyck zijn oude vormen van de dorpsnaam Katlijk. Hierin zit het woord ‘leke’ hetgeen wateroplossing betekent. Dit zeer oude boerendorp heeft vanouds de roem dat er de beste zandrapen van heel Friesland worden verbouwd. Vandaar het standbeeld van de ‘raaptepper’ uit 1981. Tot 1950 was het rapen van deze knollen een jaarlijkse activiteit. Katlijk had al vroeg in de middeleeuwen een eigen kerk. Het huidige gebouw fdateert uit de eerste helft van de 16de-eeuw. De kerk is gebouwd op een verhoging van veen, een overblijfsel van het dikke veenpakket dat het landschap in deze streek eens bedekte. De kerk heeft geen toren, maar een klokkenstoel met twee klokken. Evenals in Oudehorne vindt ook in Katlijk nog elk jaar van 21 december tot 1 januari het Sint-Thomasluiden plaats, waarmee men vroeger de kwade geesten hoopte te verjagen. Tegenwoordig is het een aardig volksgebruik waar het er om gaat de twee klokken in een goed op elkaar afgestemd ritme te luiden.

Van Katlijk fietsten we langs de ecokathedraal van Louis G. Le Roy in Mildam. Een tijdje terug schreef ik daar al een post over (de betreffende post leest u hier). Van Mildam fietsten via Landgoed Veenwijk in Oranjewoud naar Hotel Tjaarda, het oorspronkelijke startpunt van deze fietsroute. Ondertussen hadden we allebei bedacht dat een pauze een goed idee zou zijn. Even op iets anders dan een fietszadel zitten, iets drinken en misschien een klein hapje eten…

Achter Landhuis Veenwijk gaat een verhaal schuil dat rond 1760 startte. Het echtpaar Bienema bouwde een bescheiden buitenverblijf. Vermoedelijk is het Landhuis daarvóór een boerderij geweest. In 1798 werd het landhuis vergroot met twee vleugels. Het landhuis is in de loop van de tijd uitgebreid, deels gesloopt en daarna weer in een nieuwere vorm opgebouwd. Lucas Pieters Roodbaard ontwierp de tuin voor Landhuis Veenwijk. Kenmerkend aan de Roodbaardtuin zijn de romantische stijl en de ronde vormen met slingerpaadjes. Na het overlijden van Julia Wouters in 1892 ontstaat de Julia Jan Woutersstichting. Doelstelling van deze stichting is om Landhuis Veenwijk beschikbaar te stellen als woonruimte voor dames van goede stand. Inmiddels was het omliggende terrein teruggebracht tot landhuis, tuin en tuinmanswoning. In 2006 kocht de nieuwe eigenaar het landhuis. Het Rijksmonument Landhuis Veenwijk is destijds op een kwalitatief hoogwaardige manier gemoderniseerd en gerestaureerd onder verantwoordelijkheid van Ralf Advocaat van Interieur M4 uit Den Haag tot een kantoor.Het gebouw heeft dus een zakelijke bestemming gekregen.

Oranjewoud oefent al meer dan twee eeuwen een grote aantrekkingskracht uit op reizigers en dagjesmensen. Er waren vroeger dan ook vele logementen en cafés die voor het nodige vertier zorgden. Een van de bekendste uitspanningen was Tjaarda. Dit logement werd in 1834 gebouwd door Johan Meijer, die tuinman was van Huize Oranjewoud. Hij noemde zijn logement Heidewoud. In 1910 werd het logement eigendom van Andreas Willem Tjaarda die tal van nieuwe attracties rond het hotel opzette, waaronder een moderne speeltuin en een doolhof met een lachspiegelkabinet. Ook liet hij een twee meter hoge grot aanleggen waarop zijn ‘Eiffeltoren van Oranjewoud’ verrees. Dankzij deze attracties werd Tjaarda voor de oorlog één van de meest populaire bestemmingen voor schoolreisjes of een dagje uit in Friesland. Nog steeds is Tjaarda een begrip in Friesland… Deze foto dateert van ongeveer halverwege de dertiger jaren van de vorige eeuw.

Het kleine hapje eten werd een heerlijk biefstukje (niks niet klein hapje dus). We hebben heerlijk gegeten bij Tjaarda trouwens…

De eerste steen voor het landhuis Prinsenhof werd op 24 maart 1906 gelegd door Maria de Blocq van Scheltinga die getrouwd was met Charles Louis Adrien Juste, graaf van Limburg Stirum. Het echtpaar woonde er maar kort. In 1910 verhuisden zij reeds naar Huize Oranjewoud. In de jaren vijftig woonde jonkheer Martinus de Blocq van Scheltinga op Prinsenhof. Na een periode van verwaarlozing wordt het huis door de huidige bewoners met veel zorg opgeknapt.

In 1823 kwam de kern van het vroegere landgoed van de Oranjes in bezit van Hans Willem de Blocq van Scheltinga. Hij liet op de fundamenten van het oude lustslot, dat in 1805 werd afgebroken, een nieuw buitenhuis bouwen, dat hij toepasselijk Huize Oranjewoud noemde. Het gebouw werd opgetrokken in een neoclassicistische stijl. Kenmerkend voor deze stijl is het zuilenportiek voor de middelste drie deuren, met vier Ionische zuilen. Huize Oranjewoud is meer dan een eeuw eigendom geweest van de familie Blocq van Scheltinga. In 1953 verkocht jonkheer Martinus de Blocq van Scheltinga het huis met bijgebouwen en het aangrenzende park voor 100.000 gulden aan het Instituut voor Landbouwcoöperatie, dat er een vergadercentrum van maakte. In 1864 bezat het landgoed, behalve moestuinen, broeibakken, bloem- en druivenserres ook boomgaarden met vruchtbomen. In het park rond Huize Oranjewoud staan nog steeds enkele zeer bijzondere bomen, zoals een zeer oude lariks en een uit Mississippi afkomstige moerascipres. Langs de gracht aan de westkant staat de zogenaamde Juliana-eik, die in 1909 bij de geboorte van de prinses werd geplant. Sinds 1974 is de Friesland Bank eigenaar.

Huize Oranjewoud en de tuin zijn gesloten voor publiek. Het landgoed Oranjewoud bestond uit de voormalige hoftuin en de Overtuin, respectievelijk ten noorden en ten zuiden van de Lindelaan. Beide tuinen werden rond 1829 opnieuw aangelegd in de landschapsstijl. De naam van de tuinarchitect is helaas niet bekend. Deze prachtige landschapstuin, waarvan de gemeente Heerenveen sinds 1953 eigenaar is, leent zich uitstekend voor een korte wandeling.

Op de plaats van het huidige Oranjestein stond in de 18de-eeuw de woning van de rentmeester van het vorstelijk landgoed, Carel Semier. Dit eenvoudige huis werd in 1820 aangekocht door de Leeuwarder koopman Pieter Cats, die het grondig liet verbouwen. Evenals het naburige Oranjewoud kreeg het een neoclassicistisch uiterlijk. Oranjestein werd aanvankelijk alleen als zomerverblijf gebruikt. Na 1854 werd het permanent bewoond door de familie Bieruma Oosting, die tot de belangrijkste families in de streek behoorden. Johannes Bieruma Oosting (1842-1902) was in 1891 één van de vier voornaamste grootgrondbezitters in Nederland. Behalve Oranjestein bezat hij ook een groot herenhuis in Leeuwarden, de buitens Klein Jagtlust en Veenwijk en daarnaast nog eens 35 boerderijen met een totale oppervlakte van 1900 hectare. Oranjestein is tegenwoordig eigendom van de familie De Beaufort. Op de Marijke Muoiwei zien we aan onze rechterkant het koetshuis en de tuin van Oranjestein. In 1821 werd een begin gemaakt met de aanleg van een tuin bij Oranjestein in de toen heersende landschapsstijl. De tuinarchitect Lucas Pieters Roodbaard ontwierp een wandelpark in een licht glooiend terrein, met boonvormige perken en kronkelende paden. W. Eekhof schreef in 1840 over de tuin: ‘Een keur van edel geboomte, netheid en zorg van beplanting en schikking, overvloedige afwisseling van partijen, velden, moestuinen, grotten en vooral waterpartijen, waarbij zelfs geen goudviskom en diergaarde vergeten zijn, maken deze plaats tot een aangenaam verblijf’. In de loop van de 19de-eeuw is het park een aantal keren uitgebreid en kreeg het een hertenkamp en een oranjerie. Het park is één van de meest gave in Friesland en de 19de-eeuwse romantische sfeer is er nog steeds goed te proeven. De tuin wordt elke zomer enkele weken voor het publiek opengesteld.

En zo waren we weer bij ons zelf gekozen startpunt aangekomen. Toen we weer in onze huiskamer zaten hadden we iets meer dan 30 kilometer gefietst, veel gezien en lekker gegeten. Een goed bestede maandagmiddag dus.