Bol: Een nieuwe en vooral onervaren rekruut, vanwege de nog vormloze baret. Ouwe stomp: (Bijna) afgezwaaide dienstplichtige. De uitdrukking wordt vanwege de afgeschafte dienstplicht echter nauwelijks nog gebruikt.

◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊♦◊

Ik heb er lang over nagedacht of ik mijn aantekeningen en foto’s uit de periode dat ik als dienstplichtige op werd geroepen integraal tot een serie ‘stukjes’ zou verwerken. Eerder al heb ik een paar pogingen gedaan, maar wat me echt over de streep trok waren zowel het aantal lezers als de reacties op de post ‘Het mysterie van Darp’. Ik heb alles dus netjes in laten scannen en ben er mee aan de slag gegaan. Vandaag de tweede post in een wat langere serie. Het is nog onbekend hoeveel delen het gaan worden. Sowieso vijf, maar waarschijnlijk wel een paar meer dan dat. De vorige post in dit ‘feuilleton’ ging over de periode dat ik gelegerd was in de Frederik Hendrikkazerne in Venlo-Blerick. Die kazerne staat er niet meer, maar de herinneringen aan die tijd zijn er nog wel. Ik werd na een paar weken min of meer gedwongen overplaatst naar de volgende kazerne. Nu in ’s Hertogenbosch (iets dichter bij Stadskanaal, waar ik destijds woonde)…

Ik vond de tocht van Venlo-Blerick naar ’s Hertogenbosch een ware marteling en omdat we wisten wat we achter hadden gelaten maar absoluut geen idee hadden waar of hoe we terecht zouden komen. Hierdoor was de stemming in de laadruimte van de 3-tonner niet al te best. Eenmaal aangekomen op de Isabellakazerne in ’s Hertogenbosch zou onze stemming nog verder kelderen. Het was daar streng vergeleken bij de Frederik Hendrikkazerne. Veel strenger…

Isabella Clara Eugenie van Aragon, ook bekend als Isabella van Spanje, werd geboren in 1566 in Segovia (Spanje) en was de dochter van de Spaanse koning Filips II. Zij trouwde met Albrecht van Oostenrijk en kreeg vlak voor de dood van haar vader in 1598 de Zuidelijke Nederlanden als bruidsschat. Onder de Zuidelijke Nederlanden, die van uit Brussel bestuurd werden, vielen grofweg het huidige België en Luxemburg plus het huidige Noord-Brabant en delen van Limburg. Zij was samen met haar man geliefd in het door hun beiden bestuurde gebied, ondanks dat er geen godsdienstvrijheid was toegestaan. In 1609 kon zij een verdrag sluiten met de opstandelingen in de Noordelijke Nederlanden, de Republiek, dat leidde tot het Twaalfjarig Bestand. De periode van het bestand was er een van economische en culturele bloei in de Zuidelijke Nederlanden. Na afloop hiervan in 1621 en de dood van haar man in datzelfde jaar, wilde zij terug naar Spanje en in een klooster treden. Dit werd haar niet toegestaan en zij bleef landvoogdes tot haar dood in Brussel in 1633.

Staand op de achterste rij (van links naar rechts): Th. Valk, M. Kok, Harry Vogel, C. Noordeloos. Gehurkt op de voorste rij (van links naar rechts): onbekend, P. Vos, H. de Belle, M. Lubben.

En inderdaad, het leven op de Isabellakazerne eiste heel wat van ons aanpassingsvermogen. Vergeleken met de Frederik Hendrikkazerne in Venlo-Blerick was het er maar een zootje (vooral wat betreft de toiletten en de wasgelegenheid). Het eten was er van iets minderen kwaliteit dan we de afgelopen weken gewend waren. Daar stond echter wel tegenover dat we men in ’s Hertogenbosch met gewoon serviesgoed en bestek werkte. Dat in tegenstelling tot de kazerne in Venlo-Blerick waar we gewend waren van metalen ‘plates’ te eten en waar we ook metalen drinkbekers hadden. Zelf afwassen was er ook niet bij. Voor wat betreft de discipline ging het er op de Isabellakazerne héél anders (vooral veel fanatieker) aan toe dan we de voorgaande paar weken mee hadden gemaakt. En achteraf bekeken waren ze er ook een stuk fanatieker vergeleken met de plekken waar ik verderop in mijn diensttijd nog zou komen te ‘liggen’. Direct de eerste dag begon men met exercitie en zelfs het afmarcheren naar de diverse gebouwen werd weer ingevoerd. Nu was onze bekwaamheid op het gebied van exerceren vrijwel nihil, en daarom zou dat in de volgende paar weken in een hoog tempo opgeschroefd gaan worden naar een acceptabel niveau (aldus sergeant-majoor Dunlop). Direct op de tweede dag in ’s Hertogenbosch kregen we te horen dat we zo ongeveer tot aan het einde van de week op bivak en velddienst zouden gaan. Nou, dat had heel wat voeten in de aarde want het was onze eerste ‘buiten oefening’. Wij baalden vooral heel erg toen we te horen kregen wie van het kader met ons mee op bivak zouden gaan…

Verder vond ik het geweldig toen (héél toevallig was dat weer na vier weken) dat we opnieuw overgeplaatst zouden gaan worden. De Isabellakazerne in ’s Hertogenbosch was een infanterie-opleidingscentrum. Achteraf bekeken hebben we er toch wel een goede tijd gehad. Ik ben er onder andere op bivak geweest, ik heb de schietbaan bezocht (dat was leuker dan ik bedacht had), ik heb er m’n eerste handgranaat gegooid (spannend), getijgerd, patrouille gehad, op wacht gestaan. Ook werd er 1½ uur per dag geëxerceerd, dus ook wat dat betreft was het een nuttige tijd. Er was echter maar één probleem. ’s Avonds was er helemaal niets te doen en het centrum van ’s Hertogenbosch was ongeveer 45 minuten lopen. Voor je vertier was je dus op de kazerne aangewezen. In Venlo-Blerick was de afstand van de stad amper ene probleem. Daar was de stad veel dichterbij – om de hoek als het ware. In Venlo-Blerick was een bioscoop op de kazerne; daar werden vrij goede films gedraaid, maar op de Isabellakazerne… Op de Isabellakazerne was het percentage film ‘made in Tirol’ minimaal 30%. Wij waren dan ook van mening dat ‘if you’ve seen one, you’ve seen them all’. Ons afscheid van de Isabellakazerne was dan ook een makkelijke. Waar we ook terecht zouden komen, het zou zeer waarschijnlijk beter zijn dan de Isabellakazerne in ’s Hertogenbosch. Achteraf bleken we gelijk te hebben gehad met deze veronderstelling. Het was dan ook vrij logisch dat het mij op de Elias Beekmankazerne in Ede veel beter beviel.

Achterste rij (van links naar rechts): De Korte, Marbus, Meijering. Voorste rij (van links naar rechts): TH. Willemsen, Harry Vogel, R. Pieters. Ik maakte het wel een beetje bont in die tijd. Ik had bedacht dat de bivak een prima moment zou zijn om een Engelstalige biografie over J.R.R. Tolkien te lezen. Daarmee maakte ik mezelf onmiddellijk tot buitenbeetje. De biografie is trouwens zeer de moeite waard (werd geschreven door Humprey Carpenter)…

De leden van het kader die met ons mee op bivak zouden gaan waren beslist geen lieverdjes. Dit waren ze: de sergeant Steins (TD). Hij had de neiging iedereen voor ‘zeldzame zaadschieter’ uit te maken en was beslist een machtswellusteling. De sergeant de Laat (van Heutz) was een niet al te slim figuur met een ongelooflijk fanatisme hetwelk zich uitte in zijn gebruik maken van de machtspositie die hij binnen de groep bekleedde. Hij had het lef om de soldaat de Belle (van Chinese afkomst; zoon van een kolonel) voor ‘blauwe’ uit te maken, waarop de Belle ijzig kalm opmerkte dat dit niet pikte en dat hij een klacht tegen de sergeant in zou dienen wegens discriminatie. De sergeant werd hierop ineen poeslief (tegen het overdrevene aan). Tijdens het bivak spanden de beide sergeanten meestal samen om ons zo veel als mogelijk was op te naaien (dat wil zeggen te pesten, en flink ook). Steins ging zelfs zo ver dat hij ons op een ochtend wekte door bij elk pubtentje circa 5 losse flodders af te vuren. Kwamen we dan niet onmiddellijk tevoorschijn (nog half lam van de schrik), dan maakte hij het tentje open, sleurde ons met meurbaal (= slaapzak) en al naar buiten en trok je deze vervolgens van het lijf. Je werd daardoor gedwongen je gelijk aan te kleden, ware het niet dat je vanwege de kou met kleren en al was gaan slapen. De oorlogsrantsoenen waren tijdens deze bivak nauwelijks te eten, maar dat kan natuurlijk ook gewoon pech geweest zijn. De enige dingen die ik min of meer lekker vond waren de chocolade, de scheepsbiscuits en de blikjes met fruitcocktail. Op een goede nacht tijdens het bivak had Steins ons door water van circa 50 centimeter diepte laten marcheren (de bedoeling was natuurlijk dat het water dieper zou zijn dan de hoogte van je kistjes). Ik had ’s avonds twee paar sokken aangedaan vanwege de kou. Het was waarschijnlijk vanwege het feit dat mijn kistjes ongelooflijk strak zaken dat ik tijden het marcheren door het water geen natte voeten heb gekregen. Het was trouwens wel zo dat hoe zo’n rotzak Steins ook was, je af en toe verschrikkelijk met hem kon lachen, vooral als hij weer eens iemand te pakken had (er waren een paar mensen waar hij behoorlijk de pest aan had). Ook in het leger geldt natuurlijk het adagium: ‘Het mooiste vermaak is leedvermaak’ (en dat was een uitspraak van sergeant Osseforth uit Venlo-Blerick).

Het kader op de Isabella in Den Bosch houdt er een leuke gewoonte op na. Elke keer als er een kaderlid in de ‘Twintig’ weet te komen moet deze een rondje geven in de Officiersmess. Jammer dat we dat niet eerder gehoord hebben, omdat er per 1 januari tussen de middag niet meer gedronken mag worden. Dat wordt dus nablijven en zuipen, mannen: de sergeanten Steins, de Laat, Bos, Sparridans. Kapitein Pari, luitenant van Elzen, enzovoorts, enzovoorts… Bron: ‘Twintig’, het blad van de VVDM.

Verder had je niet zo veel last van Steins. De Laat was veel erger, hij was tegen het gemene aan. Maar op een goede dag was deze sergeant zelf het lijdende voorwerp. Hij zou toen op een middag op de hei voordoen hoe je moest buddy’en (stormaanval met bajonet op het wapen en dekking zoekend). De Laat rende dus op volle snelheid al zigzaggend over de hei, ondertussen een beetje beschutting zoekend om dekking te zoeken. Hij keek echter net niet goed genoeg om zich heen tijdens het zigzaggend rennen en stapte op het verkeerde moment met één been in een konijnenhol. Deze abrupte stop zorgde ervoor dat hij op volle snelheid voorover klapte en aldus ‘dekking’ had gevonden. Wij gunden hem dit geintje van harte en lieten dat (uiteraard) ook merken. Na dit voorval werd hij iets voorzichtiger. Ik was achteraf héél erg blij dat ik nooit exercitie van hem heb gehad, want het enige wat ik toen (en nu nog steeds) goed beheerste was ‘GEEF… ACHT…’ en ‘PLAATS… RUST…’. Het draaien uit de flank en ’t rechtsomkeert maken is nooit wat geworden.

Ik heb het zelfs een keer geflikt om bij een kamerinspectie (met witte handschoentjes) met de linkerhand de eregroet te brengen. Het had amper gevolgen behalve een hoop gesputter en geknetter en vervolgens het bevel om nu de eregroet opnieuw te brengen en daarbij de rechterarm te gebruiken…

Onderaan de post is een blokje waar u een reactie achter kunt laten. Ik stel dat zeer op prijs! U wordt gevraagd om een mailadres. Dit mailadres wordt niet gepubliceerd, maar stelt mij – als beheerder van deze site – in staat om te reageren op uw reactie.

Dit is het tweede deel van een feuilleton in meerdere delen.
De beide knoppen hieronder brengen u naar het voorgaande en het volgende deel van het verhaal…

Vorige post Volgende post